De Amerikaanse overheid en Intel hebben een overeenkomst gesloten waarbij Washington een belang van 9,9 procent in de chipfabrikant verwerft. Het gaat om een investering van 8,9 miljard dollar, gefinancierd met middelen die eerder waren toegezegd via de CHIPS and Science Act en het Secure Enclave-programma.
De investering bestaat uit de aankoop van 433,3 miljoen aandelen tegen een koers van 20,47 dollar per stuk. Hiervoor is geen nieuw budget vrijgemaakt; de middelen zijn afkomstig van bestaande subsidies: 5,7 miljard dollar uit de CHIPS-wet en 3,2 miljard dollar via het Secure Enclave-programma. Daarmee komt de totale steun aan Intel vanuit de overheid uit op 11,1 miljard dollar.
De Amerikaanse overheid blijft een passieve aandeelhouder. Er komt geen vertegenwoordiger in de raad van bestuur en de overheid heeft geen directe zeggenschap. Wel ontvangt de overheid een warrant die de mogelijkheid biedt om binnen vijf jaar nog eens 5 procent extra aandelen te kopen, onder specifieke voorwaarden.
Politieke en economische reacties
Volgens Intel-CEO Lip-Bu Tan geeft de investering het bedrijf meer slagkracht om zijn positie als Amerikaanse chipontwikkelaar te versterken. Vanuit de overheid wordt benadrukt dat de deal innovatie en nationale veiligheid ondersteunt. President Trump noemde het ‘een geweldige deal voor Amerika en Intel’.
Tegenstanders uit de politiek en de economische wereld waarschuwen echter voor de precedentwerking van de overeenkomst. Kritische geluiden stellen dat overheidsparticipatie in beursgenoteerde bedrijven kan botsen met het Amerikaanse vrijemarktsysteem. Juridische experts wijzen bovendien op mogelijke spanningen met bestaande wetgeving, omdat subsidiebedragen zijn omgezet in aandelen.
De markt reageerde positief op het nieuws. Het aandeel Intel steeg direct na de aankondiging met ruim 5 procent. Daarmee lijkt het vertrouwen van beleggers in de stabiliteit van de onderneming versterkt.