Bij 43% van de Nederlandse organisaties heeft een cyberaanval al binnen dezelfde werkdag gevolgen voor de omzet, terwijl herstel gemiddeld ruim vier dagen duurt. Tegelijkertijd beschouwt meer dan de helft van de bedrijfsleiders cybersecurity nog altijd als een technisch vraagstuk in plaats van een directieverantwoordelijkheid.

Dat blijkt uit onderzoek van HarfangLab, een Europese aanbieder van endpoint detection and response-oplossingen. Het onderzoek van HarfangLab onder Nederlandse bedrijfsleiders laat zien dat 69% van de ondervraagde organisaties verwacht dat een cyberincident een aanzienlijke impact heeft op zowel de bedrijfsvoering als de omzet. Bij 7% treedt omzetverlies zelfs binnen enkele uren op.

Ondanks dat bewustzijn noemt slechts 23% van de organisaties bedrijfscontinuïteit en snel herstel als de belangrijkste focus van hun cybersecuritystrategie. Meer dan de helft van de bedrijfsleiders (54%) ziet cybersecurity binnen de eigen organisatie primair als een technisch probleem.

Omzetverlies treedt snel op, herstel duurt dagen

HarfangLab stelt dat de kloof tussen financiële schade en hersteltijd toeneemt. Volgens het onderzoek zou een verstoring van kritieke bedrijfsprocessen van 24 uur bij 29% van de leidinggevenden leiden tot een omzetverlies van ten minste 16% van de dagelijkse omzet. Drie procent verwacht zelfs een verlies van 25% of meer. Gemiddeld schatten leidinggevenden dat het 4,27 dagen duurt om na een cyberincident weer volledig operationeel te zijn.

Organisaties die omzetverlies al binnen enkele uren ervaren, maken cyberveiligheid vaker een prioriteit voor de CEO dan gemiddeld: 43% tegenover 30%. Dat patroon suggereert dat directiebetrokkenheid toeneemt wanneer de operationele impact direct merkbaar is.

Verantwoordelijkheid versnipperd over meerdere functies

Uit het onderzoek blijkt dat de verantwoordelijkheid voor cyberveiligheid bij 30% van de Nederlandse organisaties bij de CEO ligt, bij 31% bij de CIO en bij 22% bij de CISO. Na een datalek of incident verwacht 32% dat de CEO ter verantwoording wordt geroepen, terwijl 30% wijst naar de CIO, CISO of CTO. Dertien procent noemt externe dienstverleners als verantwoordelijke partij.

Anouck Teiller, Deputy CEO van HarfangLab, geeft aan dat bedrijfsleiders de verstoring en omzetverliezen door cyberincidenten wel erkennen, maar dat de verantwoordelijkheid voor cyberveiligheid versnipperd blijft en te vaak als IT-vraagstuk wordt behandeld. Volgens Teiller vereist cyberweerbaarheid duidelijk eigenaarschap, ondersteund door interne expertise en externe partners, en vraagt het om een benadering vanuit bedrijfscontinuïteit in plaats van een technisch budget.

AI-adoptie loopt voor op governance

HarfangLab meldt dat organisaties tegelijkertijd in hoog tempo in AI investeren. De grootste groep (24%) richt AI-investeringen op productiviteit en efficiëntie; slechts 16% investeert primair in cybersecurity en digitale verdediging. Meer dan de helft (59%) vereist een veiligheidsbeoordeling voordat AI-tools worden ingezet, maar slechts 49% beschikt over formeel vastgelegde AI-richtlijnen. Volgens het onderzoek implementeren veel Nederlandse bedrijven AI daarmee sneller dan zij de bijbehorende governance- en beveiligingsmaatregelen ontwikkelen.

Zestig procent van de Nederlandse bedrijfsleiders stelt dat cybersecurityregelgeving leidt tot meer verantwoordelijkheid op bestuursniveau, en 61% maakt zich zorgen over persoonlijke aansprakelijkheid bij cyberincidenten. Hoewel 68% Europese cybersecurityregelgeving als concurrentievoordeel ziet, geeft 66% aan moeite te hebben om te begrijpen wat die regelgeving concreet vereist. Daarnaast vindt 57% het lastig om het tempo van nieuwe wet- en regelgeving bij te houden.

OT-omgevingen bevatten vaker kwetsbaarheden dan organisaties vermoeden. Remote toegang, leveranciersverbindingen en tijdelijke oplossingen die permanent worden, ondermijnen de veronderstelde isolatie. Orange Cyberdefense bundelt zeven lessen op basis van praktijkervaring en eigen onderzoek.

Volgens het jaarlijkse onderzoeksrapport van Orange Cyberdefense steeg het aantal cyberafpersingsincidenten het afgelopen jaar met 45 procent. Statelijke actoren en hacktivistische groepen richten zich daarbij steeds nadrukkelijker op kritieke infrastructuur. Voor organisaties met operationele technologie (OT) stelt het bedrijf dat de vraag niet is óf risico’s bestaan, maar waar ze zich bevinden.

Aanvalsoppervlak zit buiten de installatie

Volgens Marcel Hulsen, Principal Security Architect bij Orange Cyberdefense, ligt de focus in veel organisaties nog te sterk op de installatie of de controller zelf. De kwetsbaarheid bevindt zich in de praktijk vaker in remote access, leveranciersverbindingen, beheerrechten en koppelingen met andere systemen. IT en OT blijven weliswaar verschillende omgevingen, maar hun beveiliging is volgens Hulsen niet langer los van elkaar te organiseren.

Airgaps bieden schijnzekerheid

Een airgap geldt in veel organisaties nog als betrouwbare veiligheidsmaatregel. Hulsen geeft aan dat die aanname steeds minder houdbaar is. Wifinetwerken in de fabriek, leveranciersverbindingen en beheeroplossingen die ooit tijdelijk waren maar zijn blijven bestaan, ondermijnen die scheiding regelmatig. Formele afscherming op papier biedt daardoor lang niet altijd de veiligheid die organisaties verwachten.

Praktische keuzes vergroten het aanvalsoppervlak

Kwetsbaarheden in OT-omgevingen ontstaan ook door ogenschijnlijk praktische beslissingen, zoals het toevoegen van een wifi-router of het koppelen van systemen aan dashboards. Tijdelijke oplossingen worden zo de norm, zonder dat de bijbehorende risico’s opnieuw worden afgewogen. Orange Cyberdefense stelt dat effectieve OT-security niet alleen om technische maatregelen vraagt, maar ook om een kritische blik op wat operationeel verantwoord is.

Basismaatregelen kunnen groot verschil maken

Het bedrijf geeft aan dat basismaatregelen zoals inzicht in systemen, het beperken van toegang en het uitschakelen van overbodige functionaliteit al een groot verschil maken. Segmentatie en least privilege zijn volgens Hulsen maatregelen waarmee organisaties in veel gevallen nog grote stappen kunnen zetten.

Bestuurlijk mandaat en leverancierstoezicht

Detectie en monitoring hebben beperkte waarde als de mogelijkheid om in te grijpen niet vooraf is geregeld. Orange Cyberdefense stelt dat organisaties verbindingen moeten kunnen verbreken of systemen isoleren zonder dat daar kostbare tijd mee gemoeid is. Daarmee wordt OT-security ook een bestuursvraag: wie mag ingrijpen bij grote impact en wie draagt daarvoor de verantwoordelijkheid?

Beoordeel leveranciers kritisch

Leveranciers, onderhoudspartijen en externe toegang vergroten het aanvalsoppervlak bovendien buiten de eigen omgeving. Hulsen geeft aan dat organisaties duidelijke afspraken moeten maken, controleren en leveranciers aanspreken op kwetsbaarheden in verbindingen én bedrijfsprocessen. Een inbraak bij een leverancier met remote toegang tot de fabriek kan volgens hem grote gevolgen hebben voor de productieomgeving.

Menselijk handelen blijft bepalend

Veel kwetsbaarheden zijn het gevolg van menselijke keuzes: standaardwachtwoorden, extra toegangsrechten of remote access zonder voldoende controle. In OT-omgevingen staat veiligheid van machines voorop; securitymaatregelen mogen fysieke veiligheid niet in gevaar brengen of incidentrespons onnodig blokkeren.

Hulsen wijst er verder op dat nieuwe Europese veiligheidsregels nadrukkelijker aandacht vragen voor de impact van connectiviteit, cybersecurity en AI op veilig werken met machines. Machinebouwers en systeemintegratoren moeten er volgens hem voor zorgen dat digitale toegang, softwarewijzigingen of AI-gestuurde functies niet kunnen leiden tot gevaarlijke situaties. Tools en AI kunnen ondersteunen, maar het zijn uiteindelijk mensen die risico’s herkennen en op het juiste moment ingrijpen.

Westcon-Comstor heeft een strategische investering en financieringsovereenkomst gesloten met General Atlantic. De investeerder wordt minderheidsaandeelhouder en langetermijnfinancieringspartner van de technologiedistributeur. Moedermaatschappij Datatec behoudt de meerderheidsaandelen en de bestaande leiderschapsstructuur blijft intact.

De distributeur meldt zeven opeenvolgende jaren van omzetgroei te hebben gerealiseerd. Het meest recente boekjaar sloot het bedrijf af met een recordomzet van 5,74 miljard dollar. De winstgevendheid steeg, mede door een verschuiving naar software, diensten en terugkerende abonnementsomzet.

Toegang tot kapitaal en netwerk

David Grant, CEO van Westcon-Comstor, geeft aan dat de deelname van General Atlantic het bedrijf meer flexibiliteit geeft om de groeistrategie te versnellen. Volgens Grant gaat het daarbij onder meer om de uitbreiding van het portfolio en de verdere ontwikkeling van digitale capaciteiten en AI-toepassingen. Grant benadrukt dat de stabiliteit in leiderschap en de strategische langetermijnkoers behouden blijven.

Jens Montanana, CEO van Datatec, stelt dat zijn bedrijf na het evalueren van meerdere strategische opties heeft gekozen voor een structuur die de bestaande aanpak van Westcon-Comstor versterkt. Datatec behoudt de zeggenschap en werkt samen met General Atlantic als minderheidsaandeelhouder en financier. Montanana geeft aan dat de overeenkomst er ook voor zorgt dat het senior management verder verankerd wordt als aandeelhouder.

Groei door AI, security en cloud

Westcon-Comstor is actief in drie regio’s: Europa, het Midden-Oosten en Afrika en Azië-Pacific. Het bedrijf bedient IT-kanaalpartners en technologieleveranciers met value-added distributiediensten. Volgens Westcon-Comstor dragen een aantal sectortrends bij aan de aanhoudende groei: investeringen in AI-infrastructuur, toenemende vraag naar cybersecurityoplossingen en de verdere uitrol van cloud- en edge-computingomgevingen.

Leo Wouters, Managing Director bij General Atlantic, stelt dat zijn organisatie al langere tijd een relatie onderhoudt met de Datatec Group. Wouters geeft aan dat General Atlantic met kapitaal en strategische ondersteuning wil bijdragen aan de verdere uitbreiding van het portfolio en de internationale aanwezigheid van Westcon-Comstor.

Financiële details over de omvang van de investering zijn niet bekendgemaakt.

Maatschappelijke organisaties en onafhankelijke media worden vaker en intensiever getroffen door cyberaanvallen dan andere internetgebruikers. Dat blijkt uit een rapport dat Cloudflare heeft gepubliceerd ter gelegenheid van het twaalfjarig bestaan van Project Galileo. De data is afkomstig van Cloudflare Radar en beslaat het afgelopen jaar.

DDoS-aanvallen waren verantwoordelijk voor 81,7% van al het kwaadaardige verkeer gericht op organisaties die onder Project Galileo vallen. Kenmerkend was de duur: waar de meeste DDoS-aanvallen bij reguliere klanten binnen enkele minuten voorbij zijn, duurden grote aanvallen op maatschappelijke organisaties soms dagen of weken. Zo ondervond de Iraakse digitale rechtenorganisatie Tech4Peace een aanval van acht dagen met 2,6 miljard kwaadaardige verzoeken.

Mediaorganisaties zwaarst getroffen

Volgens Cloudflare blokkeerde het bedrijf gemiddeld elke zeven seconden een kwaadaardig verzoek gericht op een mediaorganisatie. Mediaorganisaties en journalisten waren het vaakst doelwit: zij ontvingen 40,5% van de aanvallen, terwijl zij 22,7% van de deelnemers aan Project Galileo uitmaken. Journalisten in ballingschap kregen te maken met een frequentie van kwaadaardig verkeer die bijna vier keer hoger lag dan bij journalistieke organisaties in het algemeen. In december 2024 werd het Cubaanse mediabedrijf in ballingschap elTOQUE getroffen door een DDoS-aanval. De organisatie vermoedt dat dit een gerichte poging was om een valutatracker onbereikbaar te maken.

Maatschappelijke organisaties werden ruim zeven keer vaker geconfronteerd met pogingen om kwetsbaarheden in websites te misbruiken dan andere Cloudflare-klanten. Bij e-mail bevatte bijna 10% van de berichten die Cloudflare voor deze organisaties verwerkte potentieel phishingmateriaal. Cloudflare stelt dat bijna een derde van de e-mails met kwaadaardige inhoud de standaard authenticatieprotocollen omzeilde, maar wel werd herkend door de eigen phishingdetectie.

Internetstoringen door overheidsmaatregelen

Cloudflare registreerde 183 internetstoringen op zijn wereldwijde netwerk, waarvan er 85 volgens publieke meldingen het gevolg waren van overheidsmaatregelen. De beperkingen vielen samen met verkiezingen, protesten en examens. In landen als Iran en Oeganda meldden maatschappelijke organisaties dat deze blokkades hun mogelijkheden belemmerden om getroffen gemeenschappen te bereiken en onafhankelijke informatie te verspreiden.

Operationele druk vergroot kwetsbaarheid

Het rapport identificeert vier terugkerende aanvalscategorieën: DDoS, misbruik van websitekwetsbaarheden, phishing en internetstoringen. De bevindingen sluiten aan bij eerder onderzoek van Cloudflare, waaruit bleek dat religieuze instellingen, non-profitorganisaties en andere maatschappelijke groepen in 2025 tot de meest aangevallen doelwitten behoorden.

Naast de technische dreigingen staan maatschappelijke organisaties onder operationele druk. Uit onderzoek van NetHope uit 2025 blijkt dat minder dan een derde van de non-profitorganisaties hun cybersecuritybudget toereikend vindt. Organisaties kampen met verminderde financiering, personeelstekorten en beperkte digitale beveiligingsprogramma’s. De opkomst van AI voegt volgens Cloudflare een extra laag complexiteit toe: bestaande dreigingen worden versneld, maar tegelijkertijd komen er nieuwe verdedigingsmiddelen beschikbaar.

Succesvolle aanvallen kunnen ernstige gevolgen hebben. Ze kunnen gevoelige informatie blootleggen, zoals de identiteit van vertrouwelijke bronnen of locaties van activisten, wat kan leiden tot surveillance of vervolging. Een DDoS-aanval kan hulpverlening tijdens een ramp verstoren, terwijl phishing donatiegelden kan wegsluizen die een organisatie niet kan aanvullen.

Een internationale politieoperatie heeft bijna 15.000 met SocGholish-malware besmette WordPress-sites opgeschoond en 106 servers en domeinen uitgeschakeld. De actie richt zich op de criminele infrastructuur van Evil Corp, een Russische cybercriminele groep die al jaren ransomware en malware inzet tegen kritieke infrastructuur. Nederland, de VS, Canada en Duitsland werkten samen met Europol, Eurojust en private partijen, waaronder Infoblox.

De actie, uitgevoerd in het kader van Operation Endgame, is een vervolg op de gelijknamige internationale operatie die in 2024 van start ging. Deelnemende landen zijn Nederland (NHTCU), Canada (RCMP), de Verenigde Staten (FBI) en Duitsland (BKA), met ondersteuning van Europol en Eurojust.

SocGholish — ook bekend als FakeUpdates — is actief sinds 2017. De malware wordt verspreid via gehackte WordPress-sites. Bezoekers van die sites krijgen een neppop-up te zien die hen aanspoort een browserupdate te installeren. Wie dat doet, geeft aanvallers toegang tot het eigen systeem. Via die zogeheten ‘initial access’ kunnen aanvallers vervolgens aanvullende malware installeren, waaronder ransomware.

Omvang van de actie

Bij de actie zijn 14.971 besmette WordPress-sites opgeschoond, 106 servers en domeinen uitgeschakeld en de SocGholish-botnetinfrastructuur verstoord door overname van domeinnamen en het offline halen van servers. Eigenaren van besmette sites zijn actief benaderd via onder meer HaveIBeenPwned, DIVD, Spamhaus, CheckjeHack, NoMoreLeaks, The Shadowserver Foundation en het NCSC.

De politie heeft backdoors en malware verwijderd van de besmette WordPress-sites. Eigenaren van die sites worden opgeroepen hun inloggegevens te wijzigen, multifactorauthenticatie in te schakelen, onbekende gebruikersaccounts te verwijderen en hun WordPress-installatie actueel te houden.

Maikel Rollman van de NHTCU geeft aan dat de actie cybercriminelen de toegang ontneemt tot besmette systemen en daarmee verdere schade aan digitale infrastructuur van burgers, bedrijven en organisaties beperkt. Rollman omschrijft dit als het begin van verdere acties tegen SocGholish.

Koppeling aan Evil Corp

SocGholish wordt gelinkt aan de Russische cybercriminele groep Evil Corp, eerder verantwoordelijk voor de Zeus- en Dridex-malware en betrokken bij grootschalige ransomware-aanvallen en witwasoperaties. De groep speelt een centrale rol in internationale cybercriminaliteit.

Volgens onderzoek van Infoblox Threat Intel had SocGholish grip op tienduizenden websites. Het bedrijf meldt dat bijna 55 procent van zijn cloudklanten in 2026 aan SocGholish was blootgesteld. Infoblox was als private partner betrokken bij de operatie en behoort tot de eersten die over de actie mogen communiceren.

Dr. Renée Burton, Vice President van Infoblox Threat Intel, stelt dat SocGholish geen sectorspecifieke dreiging is: de activiteiten dringen volgens haar door in zowel publieke als commerciële omgevingen en geven andere cybercriminelen een toegangspunt. Burton geeft aan dat Infoblox het ecosysteem blijft volgen, ongeacht of bestaande samenwerkingen herrijzen of nieuwe infrastructuur ontstaat.

Aanbevelingen voor WordPress-beheerders

De politie wijst erop dat de inloggegevens van 1,4 miljoen WordPress-sites zijn uitgelekt, waardoor die sites kwetsbaar zijn voor besmetting. Beheerders van WordPress-sites worden aangeraden om inloggegevens te vernieuwen, multifactorauthenticatie in te schakelen en installaties up-to-date te houden. Voor eindgebruikers geldt het advies geen pop-ups in de browser te vertrouwen die aandringen op directe actie, en updates alleen via officiële kanalen zoals systeeminstellingen of de app store te installeren.

Een kwart van de cybersecurityleiders noemt beperkte organisatiebrede zichtbaarheid als de voornaamste belemmering voor effectieve security operations. Dat blijkt uit het tiende jaarlijkse SOC-onderzoek van het SANS Institute. Personeelstekorten en onvoldoende automatisering volgen op enige afstand.

Volgens het onderzoek beschikken de meeste organisaties wel over de benodigde securitytools, maar ontbreekt het aan integratie tussen die systemen. Voor SOC-teams resulteert dat dagelijks in grote hoeveelheden niet-verbonden meldingen en een gebrek aan gedeelde context om snel op dreigingen te reageren. Christopher Crowley, Senior Instructor bij SANS Institute, geeft aan dat het probleem niet zit in het aantal tools, maar in het creëren van een samenhangend overzicht over teams heen die ieder eigen prioriteiten hebben.

Kloof tussen management en werkvloer

Het onderzoek signaleert een hardnekkig verschil in perceptie tussen leidinggevenden en uitvoerende medewerkers. Zo stelt 59% van de cybersecurityleiders dat het management veel aandacht besteedt aan het werven en behouden van SOC-personeel. Onder security professionals op de werkvloer deelt slechts 32% die mening — een verschil van 27 procentpunten dat in alle voorgaande edities van het onderzoek zichtbaar was.

Dit betekent in de praktijk dat beslissingen over werving en personeelsbehoud vaak worden genomen door leidinggevenden met een aanzienlijk positiever beeld van de situatie dan de professionals die dagelijks de security operations uitvoeren.

Threat intelligence beperkt strategisch ingezet

Ook op het gebied van threat intelligence constateert het SANS Institute een kloof. Hoewel 74% van de cybersecurityleiders dreigingsinformatie inzet voor security operations en threat hunting, gebruikt slechts 26% diezelfde informatie om budget- en investeringsbeslissingen te onderbouwen. Dreigingsinzichten die dagelijks richting geven aan het werk van analisten spelen daarmee nauwelijks een rol bij strategische keuzes over toekomstige investeringen.

Crowley stelt dat deze patronen niet nieuw zijn, maar dat tien jaar aan data laten zien hoe weinig er verandert. Organisaties die de kloof weten te dichten, behandelen deze kwesties als concrete operationele problemen in plaats van algemene managementvraagstukken.

Human capital als financieringsknelpunt

Uit het onderzoek blijkt verder dat 75% van de cybersecurityleiders erkent dat technologie alleen effectief is wanneer gekwalificeerde professionals die ondersteunen. Tegelijkertijd noemt diezelfde groep menselijk kapitaal als de grootste beperking bij het financieren van cybersecurityprioriteiten. Het SANS Institute concludeert dat veel organisaties het belang van personeel weliswaar onderkennen, maar moeite hebben die overtuiging te vertalen naar concrete budgetten en investeringen.

AI-adoptie legt de komende jaren een forse druk op campus- en vestigingsnetwerken, blijkt uit onderzoek van Cisco en Foundry. Driekwart van de ondervraagden verwacht binnen twee jaar de capaciteitslimieten te bereiken, terwijl het netwerkverkeer door AI-workloads naar verwachting met 235 procent stijgt. Tegelijk groeit het aanvalsoppervlak sneller dan organisaties bij kunnen houden.

Foundry voerde in opdracht van Cisco een kwantitatief onderzoek uit onder 3.472 CIO’s en IT-leiders in Azië-Pacific, Europa, het Midden-Oosten, Latijns-Amerika en Noord-Amerika. De respondenten werken bij organisaties met meer dan 500 medewerkers. Naast de enquête nam Foundry zes diepte-interviews af met executives. Het onderzoek vond plaats tussen maart en april 2026.

Agentic AI vergroot verkeersdruk op netwerken

Een derde van de ondervraagde organisaties heeft Agentic AI al bedrijfsbreed uitgerold. Volgens Cisco verwacht 97 procent van de respondenten binnen twee jaar een verdere uitbreiding. Organisaties die vooroplopen in AI-adoptie gaan ervan uit dat de impact op het netwerkverkeer in de komende drie jaar met 235 procent toeneemt.

De oorzaak ligt in de manier waarop AI-agents werken: op machinesnelheid versturen ze tientallen API-verzoeken per seconde, raadplegen databases en voeren berekeningen uit via hun modellen. Dit genereert intensief lateraal verkeer tussen servers en apparaten onderling, ook wel ‘east-west’-verkeer genoemd. Traditionele bedrijfsnetwerken zijn hier volgens Cisco niet op ontworpen.

AI-workloads blijken bovendien gevoelig voor netwerkproblemen. Voorlopers in AI-adoptie geven aan dat hun workloads kwetsbaar zijn voor gebrekkige betrouwbaarheid en uptime (80 procent), onvoldoende bandbreedte (75 procent), hoge latentie (71 procent) en pakketverlies (62 procent).

Capaciteitslimieten binnen twee jaar in zicht

Minder dan een derde van de AI-koplopers vindt dat zijn netwerk volledig voorbereid is op de verwachte groei. In totaal geeft 76 procent van de respondenten aan dat netwerkupgrades noodzakelijk zijn. Cisco meldt dat 73 procent verwacht binnen 24 maanden de capaciteitslimieten van campus- en vestigingsnetwerken te bereiken. Wifi vormt daarbij een prominent knelpunt: meer dan de helft van de organisaties geeft aan dat de capaciteitseisen op dat vlak het sterkst stijgen.

Uit het onderzoek komt een duidelijke kloof naar voren: driekwart van de IT-leiders heeft meer vertrouwen in de AI-strategie van zijn organisatie dan in het vermogen van het netwerk om die strategie te ondersteunen. Hoewel 91 procent budgetbeperkingen als barrière noemt, is vrijwel elk bedrijf van plan zijn netwerk te moderniseren.

Beveiliging en observability onder druk

Cisco stelt dat AI ook een complex beveiligingslandschap creëert. Zo geeft 92 procent van de respondenten aan moeite te hebben om beveiligingsontwikkelingen bij te houden, en 90 procent geeft aan dat AI al tot schade heeft geleid. Meer dan twee derde vindt dat AI-gerelateerde dreigingen sneller evolueren dan de eigen organisatie zich kan aanpassen.

Daarnaast ontstaat volgens het onderzoek een zogenoemde ‘observability gap’: traditionele monitoringtools hebben moeite met het grillige, laterale verkeerspatroon van AI-agents. Het uitblijven van netwerkmodernisering vergroot dit beveiligingsrisico de komende twee jaar verder, aldus Cisco.

Negen van de tien bedrijven verhogen hun AI-budget, ook al valt de kostenbesparing structureel lager uit dan verwacht. Uit onderzoek van Bain & Company onder 951 bedrijven wereldwijd blijkt dat bijna 40% van de bedrijven die hun resultaten hebben gemeten uitkwam op minder dan 10% kostenbesparing, terwijl zij mikten op 11% tot 20%. Tegelijkertijd financiert 44% de volgende investeringsronde met opbrengsten uit eerdere automatiseringsprojecten die stelselmatig tegenvallen.

Van de bedrijven die hun AI-resultaten daadwerkelijk hebben gemeten, mikte 37% op kostenreducties tussen 11% en 20%. Bijna 40% van die groep bereikte uiteindelijk slechts 0% tot 10% besparing. Bain & Company stelt dat de technologie functioneerde, maar dat de verwachte waarde uitbleef.

Toch reageert 90% van dezelfde bedrijven met een verhoging van het budget. De volgende investeringsgolf richt zich op AI-agents die met meer autonomie en complexiteit opereren. Bain & Company geeft aan dat dit een risico met zich meebrengt: 44% van de ondervraagde bedrijven wil die investeringen financieren vanuit de besparingen van eerdere automatiseringsprojecten, terwijl die opbrengsten structureel achterblijven bij de prognoses.

Volledig autonome agents zijn uitzondering, niet de regel

Veel leidinggevenden beschouwen AI-agents als systemen die complexe beslissingen volledig zelfstandig afhandelen. De praktijk wijkt hier sterk van af. Slechts 7% van de ondervraagde bedrijven werkt momenteel met volledig autonome AI-agents. Het meest gebruikte model vereist menselijke goedkeuring: 38% van de respondenten hanteert dit. Nog eens 32% werkt met waarborgen waarbij een mens ingrijpt zodra een agent een situatie tegenkomt die hij niet met voldoende zekerheid kan afhandelen.

Bain & Company stelt dat de meeste investeringscases uitgaan van de economische voordelen van volledige automatisering, terwijl de werkelijkheid veel mensgerichter is. Dit verschil tussen verwacht en daadwerkelijk inzetmodel ondermijnt de financiële onderbouwing van veel AI-trajecten.

Data als obstakel, maar niet als reden om te wachten

Toegang tot en integratie van data blijken de grootste belemmering voor AI-implementatie op schaal. Opvallend is dat bedrijven die hun doelstellingen wel hebben gehaald, dit probleem vaker als obstakel benoemen dan bedrijven die hun doelen niet haalden: 44% tegenover 40%. Volgens Bain & Company is dat geen toeval. De bedrijven die vooroplopen zijn data niet gaan behandelen als een IT-vraagstuk, maar als een zakelijke randvoorwaarde op bestuursniveau. Ze zijn ook gestopt met onvolmaakte data als argument om actie uit te stellen.

Bedrijven die hun doelstellingen niet halen, noemen andere obstakels: onvoldoende budget, het ontbreken van een centraal expertisecentrum en concurrerende prioriteiten. Bain & Company geeft aan dat dit geen technologische problemen zijn, maar signalen dat AI nog niet het mandaat en de bestuurlijke aandacht heeft gekregen die nodig zijn voor succesvolle implementatie op schaal.

Zyxel Networks komt met drie nieuwe outdoor access points gericht op MSP-partners: de WBE665S, de NWA55AX PRO en de NWA55AX PTP. De apparaten zijn ontworpen voor gebruik op industriële locaties, campussen, horecagelegenheden en woningen. Alle drie zijn te beheren via het Nebula-cloudplatform van Zyxel Networks.

De WBE665S is een outdoor access point met WiFi 7-ondersteuning en een antenne die gebruik kan maken van de 6 GHz-frequentie. Het apparaat heeft een IP67-classificatie en werkt bij temperaturen van -40 °C tot 70 °C. Zyxel Networks stelt dat het daarmee geschikt is voor industriële locaties, magazijnen, stadions en onderwijscampussen. Ondersteuning voor 6 GHz-gebruik buitenshuis is in Nederland overigens afhankelijk van wat de lokale regelgeving toestaat. De WBE665S is per direct verkrijgbaar in Europa.

WiFi 6 voor kleinere buitenlocaties

De NWA55AX PRO ondersteunt WiFi 6 met snelheden tot AX3000 en heeft een IP55-classificatie. Volgens Zyxel Networks is het apparaat bedoeld voor kleinere industriële locaties, horecagelegenheden, campussen en thuiswerkers met behoefte aan uitgebreide buitendekking. Het model komt in het derde kwartaal van 2026 beschikbaar in de EMEA-regio.

De NWA55AX PTP is een gekoppelde set point-to-point access points die een directe draadloze verbinding over afstanden tot 5 kilometer ondersteunt. Zyxel Networks geeft aan dat het apparaat geschikt is voor campussen, stadions, vakantieoorden en openbare ruimtes zoals treinstations en luchthavens. Ook dit model verschijnt in het derde kwartaal van 2026 op de EMEA-markt.

Beheer via Nebula

Alle drie de access points zijn te beheren via het Nebula-cloudplatform van Zyxel Networks. Hugh Simpson, EMEA Marketing Development Manager voor Wireless LAN bij Zyxel Networks, geeft aan dat MSP-partners hiermee de wifi-prestaties van klanten op afstand kunnen monitoren en bijsturen. Volgens Simpson kunnen MSP-partners met deze modellen enterprise-specificaties aanbieden tegen prijzen die ook voor het MKB toegankelijk zijn.

KnowBe4 benoemt Alex Callihan tot Chief Technology Officer (CTO). Callihan werkt al meer dan negen jaar bij het bedrijf en was meest recent actief als Senior Vice President of Engineering. In zijn nieuwe rol wordt hij verantwoordelijk voor productinnovatie en de verdere ontwikkeling van AI-gerelateerde beveiligingstechnologie. Callihan rapporteert rechtstreeks aan CEO Bryan Palma en werkt samen met de teams voor productmanagement, customer success en marketing.

Callihan beschikt over meer dan vijftien jaar ervaring in software-engineering. Bij KnowBe4 bekleedde hij eerder de positie van Senior Vice President of Engineering. Palma stelt dat Callihan een bepalende rol heeft gespeeld in het opschalen van de technische capaciteiten van de organisatie en daarom de aangewezen persoon is om de volgende fase van onderzoek en ontwikkeling aan te sturen.

Focus op AI-beveiliging

Callihan geeft aan zich te willen richten op de verdere ontwikkeling van het platform, met specifieke aandacht voor dreigingen als prompt injection, shadow AI en social engineering. KnowBe4 kondigt zijn benoeming aan in combinatie met die van Fran Roberts tot General Manager van KnowBe4 Studios.

Volgens het bedrijf passen beide benoemingen in een bredere strategische koers. KnowBe4 bracht recent Agent Risk Manager en AI Defense Agents uit, waaronder functionaliteit voor deepfake-trainingsinhoud, contentcreatie en orkestratie. De CTO-rol is er volgens het bedrijf op gericht de ontwikkeling van dit type oplossingen te versnellen.