Het kabinet wil dat Nederlandse onderwijsinstellingen minder leunen op enkele grote techleveranciers. Minister Letschert van Onderwijs schrijft in een brief aan de Tweede Kamer dat de huidige afhankelijkheid groot is en risico’s met zich meebrengt. Scholen ervaren volgens de minister wel de noodzaak om over te stappen, maar lopen tegen praktische bezwaren aan.
Minister Letschert van Onderwijs heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over plannen om de afhankelijkheid van de onderwijssector van grote techbedrijven terug te dringen. Volgens de minister voelen veel onderwijsinstellingen de urgentie om digitaal autonomer te worden, maar ervaren zij tegelijkertijd complexiteit bij het vinden van alternatieven en het migreren naar andere systemen.
Vendor lock-in door geïntegreerde oplossingen
Letschert wijst erop dat overstappen niet alleen een forse investering vergt, maar ook tijd kost omdat personeel zich moet scholen in nieuwe systemen. Volgens de minister is er in de praktijk vaak sprake van vendor lock-in, doordat grote softwareaanbieders onderwijsinstellingen geïntegreerde totaaloplossingen bieden en een sterke marktpositie hebben. Dit stimuleert volgens haar dat scholen binnen een gesloten ecosysteem blijven.
De minister erkent dat een dergelijk ecosysteem ook voordelen biedt, zoals gebruiksgemak doordat applicaties onderling goed samenwerken. Voor veel digitale voorzieningen bestaan volgens Letschert wel alternatieven, maar die bieden niet altijd een samenhangend en geïntegreerd geheel. Daarnaast signaleert de minister een indirecte afhankelijkheid: veel toeleveranciers zijn voor de werking van hun eigen systemen zelf weer afhankelijk van de infrastructuur van dezelfde grote techbedrijven.
Risico’s van afhankelijkheid
De minister noemt meerdere risico’s die voortkomen uit deze afhankelijkheid. Zo kan de positie van techbedrijven volgens haar worden ingezet als geopolitiek drukmiddel, kan het leiden tot misbruik van persoonsgegevens en kan de impact van storingen in digitale processen groter worden. Ook kunnen situaties ontstaan die niet aansluiten bij de publieke waarden binnen het onderwijs. Volgens Letschert is het van belang dat onderwijsinstellingen zelf keuzes kunnen maken die passen bij hun onderwijskundige visie, zonder gebonden te zijn aan de keuzes die in de producten van één leverancier besloten liggen.
Publieke regie als uitgangspunt
Het kabinet wil bijdragen aan een toegankelijke markt met voldoende alternatieven voor onderwijsinstellingen. Dit vereist volgens Letschert samenwerking tussen kennispartners, onderwijsinstellingen, andere partijen in de publieke en private sector, de rijksoverheid en Europese partners.
De minister geeft aan dat het onderwijs zelf publieke regie moet voeren op het versterken van digitale autonomie. Deze regie krijgt bij voorkeur vorm via collectieve samenwerking tussen onderwijsinstellingen, bijvoorbeeld door gezamenlijke afspraken, uniforme en open standaarden en het gezamenlijk stimuleren van Europese alternatieven. Waar nodig kan het onderwijs ook eigen digitale voorzieningen ontwikkelen. Het uiteindelijke doel is volgens Letschert dat het onderwijs essentiële publieke voorzieningen onder gezamenlijke regie kan organiseren, zodat alle onderwijsinstellingen daar gebruik van kunnen maken.