Werknemers in de ICT maakten het afgelopen jaar twee tot drie keer zo vaak reorganisaties, gedwongen ontslagen en automatisering binnen het eigen bedrijf mee als de gemiddelde Nederlandse werknemer. Dat blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2025 van TNO en CBS. De sector combineert veel burn-outklachten en weinig energie met de meeste vrijheid in het werk van alle sectoren. Voor MSP’s als werkgever laten de cijfers zien waar het wringt bij hun eigen engineers.
De NEA is het grootste periodieke onderzoek naar arbeidsomstandigheden in Nederland. Eind 2025 vulden ruim 53.000 werknemers de vragenlijst in, van wie ruim 2.000 in de ICT. TNO en CBS publiceerden de eerste resultaten in april 2026 in de rapportage Resultaten in vogelvlucht, met uitsplitsingen naar dertien sectoren. MSP’s worden daarin niet apart onderscheiden. De cijfers gaan over de ICT-sector als geheel en geven daarmee een goed beeld van de arbeidsmarkt waarop MSP’s hun personeel werven en proberen vast te houden.
Waar komt de onrust in de ICT vandaan?
Ruim een op de vijf ICT’ers (22 procent) maakt zich zorgen over het behoud van de eigen baan. Over alle werknemers genomen is dat 13 procent, en geen andere sector komt zo hoog uit. Die zorgen hebben een concrete aanleiding. Van de ICT’ers zag 52 procent het afgelopen jaar ingrijpende veranderingen in het eigen bedrijf, tegen 32 procent gemiddeld. Alleen in de financiële dienstverlening lag dat aandeel hoger.
Het gaat om een optelsom van ingrepen. Een op de vijf ICT’ers maakte een grote reorganisatie mee (gemiddeld 11 procent) en eveneens een op de vijf zag bedrijfsactiviteiten geautomatiseerd worden (gemiddeld 9 procent). Bij 14 procent kwam het tot inkrimping met gedwongen ontslagen. Dat is bijna drie keer zo vaak als gemiddeld en het hoogste aandeel van alle sectoren. Ook overnames komen veel voor: 12 procent van de ICT’ers werkt bij een organisatie die het afgelopen jaar een ander bedrijf overnam, tegen 4 procent gemiddeld. In de MSP-markt, waar buy-and-build en consolidatie al jaren spelen, zal dat herkenbaar zijn. Verplaatsing van werk naar het buitenland speelde bij 6 procent van de ICT’ers, drie keer zo vaak als gemiddeld.
De onrust vertaalt zich in vertrekbewegingen. Bijna een derde (31 procent) van de ICT’ers ondernam het afgelopen jaar daadwerkelijk iets om ander werk te vinden, tegen 26 procent van alle werknemers. Alleen in de horeca ligt dat aandeel hoger. ICT’ers werken gemiddeld ruim zeven jaar bij hun huidige werkgever, anderhalf jaar korter dan het landelijk gemiddelde.

Figuur 1. ICT’ers maakten het afgelopen jaar twee tot drie keer zo vaak reorganisaties, automatisering en gedwongen ontslagen mee als de gemiddelde werknemer. Bron: NEA 2025, TNO/CBS.
Hoe raakt een sector met zoveel regelruimte uitgeput?
ICT’ers hebben meer zeggenschap over hun werk dan werknemers in welke andere sector ook. Driekwart (77 procent) heeft veel autonomie, tegen 57 procent gemiddeld. Ze bepalen vaker zelf hoe en in welke volgorde ze hun werk doen, en de helft kan zelf kiezen waar ze werken (gemiddeld een kwart). Het aandeel met zogenoemd stressvol werk, de combinatie van hoge taakeisen en weinig regelmogelijkheden, is met 8,5 procent ongeveer de helft van het gemiddelde.
Bij de gezondheidscijfers staat de ICT op de verkeerde plekken bovenaan. Een kwart van de ICT’ers heeft burn-outklachten, tegen 21 procent gemiddeld. Alleen het onderwijs komt met 25,3 procent een fractie hoger uit. Bijna drie op de tien ICT’ers (29 procent) voelen zich minstens enkele keren per maand moe bij het opstaan en de gedachte aan weer een werkdag, het hoogste aandeel van alle sectoren. Op de positieve indicatoren scoort de sector het laagst. Slechts 46 procent voelt zich tijdens het werk regelmatig fit en sterk (gemiddeld 56 procent) en eveneens 46 procent ervaart veel bevlogenheid (gemiddeld 54 procent).

De klassieke werkdrukschaal van de NEA, die meet of je snel en veel moet werken, verklaart dat beeld niet. ICT’ers scoren daarop rond het gemiddelde. De belasting zit vooral in het soort werk. Bijna 80 procent zegt dat hun werk vaak intensief nadenken vraagt (gemiddeld 56 procent) en 32 procent krijgt op een werkdag vaak meer informatie dan ze snel genoeg kunnen verwerken (gemiddeld 25 procent). Bij de helft van de ICT’ers bepalen de software en apps waarmee ze werken het werktempo, ruim twee keer zo vaak als gemiddeld. Bij 72 procent doen targets en deadlines dat (gemiddeld 45 procent). ICT’ers met klachten door hun werk noemen vaker te hoge werkdruk als belangrijkste oorzaak (41 procent tegen 27 procent) en lang achter de computer werken (21 procent tegen 6 procent).
Voor MSP’s is dat een herkenbaar profiel. Engineers die de hele dag schakelen tussen tickets, monitoringmeldingen en verschillende klantomgevingen doen cognitief zwaar werk met veel informatie en externe deadlines. Meer vrijheid in rooster of werkplek neemt die belasting niet weg.

Figuur 2. De ICT combineert de meeste autonomie van alle sectoren met een van de hoogste aandelen werknemers met burn-outklachten. Bron: NEA 2025, TNO/CBS.
Wat doet nieuwe technologie met het werk van ICT’ers zelf?
De sector die klanten door technologische veranderingen loodst, krijgt die veranderingen zelf ook het vaakst over zich heen. Bijna zes op de tien ICT’ers (58 procent) kregen het afgelopen jaar te maken met veranderingen in de technologie die ze gebruiken, tegen 37 procent gemiddeld. Bij 39 procent veranderden de producten of diensten die ze leveren (gemiddeld 18 procent). De NEA-vragen gaan over nieuwe technologische ontwikkelingen in brede zin.
De ervaringen daarmee zijn overwegend positief. Van de ICT’ers kan 62 procent door nieuwe technologie meer werk doen in dezelfde tijd (gemiddeld 42 procent), 60 procent vindt het werk makkelijker geworden en 30 procent leuker (gemiddeld 20 procent). Een op de zes (16,5 procent) vindt het werk mentaal zwaarder geworden, even vaak als gemiddeld.
ICT’ers worden ook vaker bij veranderingen betrokken. Drie op de tien mochten meebeslissen over veranderingen in het eigen werk (gemiddeld 23 procent) en 29 procent werd om advies gevraagd (gemiddeld 21 procent). Wat ze nodig hebben om zich aan te passen, is in de eerste plaats tijd. Bijna de helft (49 procent) noemt dat, gevolgd door een opleiding (33 procent) en begeleiding of coaching (30 procent). Ruim een kwart (26 procent) wil dat de werkinhoud wordt aangepast, tegen 19 procent gemiddeld.
Hoe groot is de behoefte aan bijscholing?
Ruim de helft van de ICT’ers (56 procent) heeft op dit moment behoefte aan een opleiding of cursus, tegen 40 procent van alle werknemers. Die behoefte is vooral op de toekomst gericht. Van de ICT’ers wil 29 procent zich scholen om toekomstige veranderingen in de eigen baan aan te kunnen (gemiddeld 16 procent) en eveneens 29 procent om de kansen op werk te vergroten (gemiddeld 19 procent). Dat sluit aan bij de onrust die de sector op bedrijfsniveau ervaart.
In de praktijk volgden ICT’ers de afgelopen twee jaar ongeveer even vaak een opleiding als gemiddeld (55,5 procent tegen 54 procent). In het openbaar bestuur en de financiële dienstverlening ligt dat aandeel boven de 70 procent. Het aandeel ICT’ers met een hoge mate van kwalificatieveroudering is met 17 procent iets hoger dan gemiddeld (14 procent) en een op de vijf mist nieuwe kennis of vaardigheden die door veranderingen belangrijk zijn geworden.
De sector biedt wel doorgroeimogelijkheden. Ruim een kwart (27 procent) van de ICT’ers kreeg de afgelopen twee jaar promotie binnen het bedrijf (gemiddeld 18 procent) en bij de helft werd de functie uitgebreid. Bijna vier op de tien zeggen dat hun leidinggevende hun ontwikkeling in grote mate stimuleert. Voor MSP’s die engineers willen behouden, ligt hier een concreet aanknopingspunt: de behoefte aan scholing is groot en is voor een belangrijk deel ingegeven door zorgen over de toekomst.
Hoe transparant is het salarisgebouw in de ICT?
Over hun salaris zelf zijn ICT’ers relatief tevreden. Ruim een kwart (26 procent) is er heel tevreden over, tegen 22 procent gemiddeld. Over de weg naar een hoger salaris is veel minder duidelijkheid. Een derde van de ICT’ers (33 procent) vindt het onduidelijk welke eisen binnen de organisatie gelden voor een bepaald salaris, bijna twee keer zo vaak als gemiddeld (18 procent). Bijna de helft (48 procent) weet niet wat collega’s in dezelfde functie verdienen. ICT’ers die dat wel weten, horen het vooral van die collega’s zelf (65 procent). Slechts 4 procent kent de bedragen via een cao, tegen een kwart van alle werknemers.

Figuur 3. Een derde van de ICT’ers vindt het onduidelijk welke eisen gelden voor een bepaald salaris, bijna twee keer zo vaak als gemiddeld. Bron: NEA 2025, TNO/CBS.
Collectieve afspraken spelen in de ICT een kleine rol. Met 5,4 procent heeft de sector de laagste vakbondsorganisatiegraad van alle sectoren (gemiddeld 15 procent). Van de ICT’ers vindt 72 procent het bestaan van cao’s belangrijk, tegen 91 procent gemiddeld, en 30 procent is ontevreden over de cao in het eigen bedrijf (gemiddeld 17 procent). Een op de vijf is ontevreden over de pensioenregeling, ook dat ligt boven het gemiddelde van 14,5 procent.

Die onduidelijkheid krijgt binnenkort een wettelijke dimensie. Het kabinet diende op 21 mei 2026 het wetsvoorstel in dat de Europese richtlijn loontransparantie in Nederlandse wetgeving omzet, met 1 januari 2027 als beoogde ingangsdatum. Of die datum wordt gehaald, hangt af van de behandeling in de Tweede en Eerste Kamer. Werkgevers moeten sollicitanten volgens het voorstel vooraf duidelijkheid geven over het startsalaris of de salarisschaal, mogen niet meer vragen naar het laatstverdiende salaris en hebben een objectief systeem nodig om functies te waarderen en in te delen. Werkgevers met 150 of meer medewerkers rapporteren in 2028 voor het eerst over de loonkloof tussen mannen en vrouwen, werkgevers met 100 tot 150 medewerkers in 2031. Die rapportageplicht raakt vooral de grotere MSP’s. De informatieplicht richting sollicitanten geldt voor alle werkgevers, ongeacht hun omvang.
Wat kan een MSP als werkgever met deze cijfers?
Thuiswerken is in de ICT de norm. Van de ICT’ers werkt 87,5 procent (ook) thuis, gemiddeld bijna 15 uur per week. Negen op de tien vinden die mogelijkheid belangrijk (gemiddeld 63 procent) en 60 procent is er heel tevreden over. Dat heeft gevolgen voor de fysieke belasting. De helft van de ICT’ers zit tijdens het werk 8 uur of meer per dag (gemiddeld 21 procent) en ICT’ers werken gemiddeld ruim 7 uur per dag achter een beeldscherm. Vier op de tien vinden (extra) maatregelen tegen langdurig beeldschermwerk nodig, tegen een kwart gemiddeld. Bij 17 procent is er volgens de werknemers zelf nog helemaal niets geregeld.
Arbozorg is in de ICT minder zichtbaar dan elders. Van de ICT’ers weet 55 procent dat ze een bedrijfsarts kunnen raadplegen (gemiddeld 64 procent) en 31 procent weet het niet. Bij bijna een kwart wordt op het werk geen informatie gegeven over veilig en gezond werken (gemiddeld 16 procent). ICT’ers melden zich wel vaker ziek (57,5 procent tegen 51 procent), vooral kort en met griep of verkoudheid. Het verzuimpercentage ligt met 4,4 procent iets onder het gemiddelde van 4,8 procent.
De werksfeer is een sterk punt. Van de ICT’ers vindt 71 procent het niet erg om op het werk een fout te maken, het hoogste aandeel van alle sectoren (gemiddeld 61 procent). Ongewenst gedrag door klanten, collega’s of leidinggevenden komt met 9 procent half zo vaak voor als gemiddeld. Samen met de ruime autonomie is dat een goede basis. De NEA laat zien waar MSP’s daarbovenop kunnen bijsturen: duidelijkheid over loopbaan en salaris, aandacht voor de mentale belasting door informatievolume en deadlines, scholing die aansluit bij de zorgen over de toekomst en zichtbare arbozorg voor medewerkers die grotendeels thuis werken.
Bronnen TNO en CBS, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2025. Resultaten in vogelvlucht (april 2026); Rijksoverheid, Meer openheid over loonkloof tussen mannen en vrouwen (21 mei 2026); Salaris Vanmorgen, Wetsvoorstel implementatie Richtlijn loontransparantie per 1 januari 2027 (21 mei 2026); FME, Nieuwe wet loontransparantie: wat betekent dit voor jou als werkgever?