In Fort bij Vechten, als verdedigingswerk onderdeel van de Hollandse Waterlinie, organiseerde Sophos een evenement voor partners. Op de eerste blik leek die locatie ideaal: waar kun je beter over IT-security spreken dan in een bunker? In de praktijk echter werd dit deel van de Waterlinie nooit tijdens een oorlog ingezet. Dit terwijl de specialisten van Sophos dagelijks de strijd met cybercriminelen voeren. Wel laat de Waterlinie zien dat investeringen, strategie en continue aandacht nodig is in een strijd tegen aanvallers, of dat nu fysieke legers zijn of cybercriminelen.

“Bedrijven staan vaak voor de uitdaging om tientallen beveiligingsproducten te gebruiken in een poging hun business te beschermen,” legde Bruna Durand, VP Sales bij Sophos, uit. “Dit resulteert niet alleen in toenemende kosten, maar velen van hen geven aan dat ze de situatie gewoon niet aankunnen. Het dreigt hun volledige security onbeheersbaar te maken.” Als reactie daarop maken veel bedrijven de overstap naar het afnemen van cybersecurity als een dienst.

Parallel met uitbesteding naar datacenters

Het fenomeen dat in de wereld van cybersecurity zichtbaar is, vertoont daarmee opmerkelijke parallellen met wat eerder gebeurde in de datacenteromgeving, stelde Durand. “In het begin waren de eigen datacenter-omgevingen van bedrijven eenvoudig. Maar naarmate de digitale transformatie groeide nam de complexiteit toe. Uiteindelijk verplaatsten organisaties de datacenter-infrastructuur buiten hun eigen fysieke locaties. Ze lieten het geheel beheren door externe dienstverleners.”

De verschuiving naar cybersecurity als dienst is een natuurlijke evolutie, is de overtuiging van Durand, en biedt partners veel kansen. “Het is daarbij essentieel om te begrijpen waarom organisaties deze richting inslaan. Het aantal ransomware-aanvallen is alarmerend hoog, met 69% van onze klanten die op de een of andere manier melding maakten van een dergelijke aanval. Het is voor ondernemingen echter een ingewikkelde opgave om adequaat op een ransomware-aanval te reageren.”

Gebrek aan personeel

Durand vertelde dat 80% van de incidenten afkomstig is van onbeheerde apparaten en 74% wordt veroorzaakt door menselijke elementen of misconfiguratie. “Nieuwe tools en configuraties, samen met de uitdagingen van adequaat getraind personeel, maken het moeilijk om gelijke tred te houden met de groeiende complexiteit van cybersecurity. Daarom stapt men over op security as a service, dat afgenomen kan worden via een partner. Ook al omdat cybersecurity 24/7 aandacht vereist, terwijl de meeste ondernemingen dat zelf niet intern kunnen realiseren.”

Naast het tekort aan middelen, ervaren organisaties een overvloed aan meldingen en incidenten. 71% Van de professionals geeft aan dat ze overladen worden met gegevens. Durand: “Het categoriseren en effectief reageren op deze gebeurtenissen wordt steeds uitdagender, waardoor het aanvals-oppervlak voor potentiële aanvallen alleen maar groter wordt.”

Verkorten reactietijd bij security

In deze context wordt tijd van cruciaal belang wanneer een aanval plaatsvindt. Dat bleek uit verschillende presentaties in het fort. Het gemiddelde tijdsbestek om een aanval aan te pakken is 16 uur. “Maar met de inspanningen van Sophos kunnen we dit verkorten tot 38 minuten. Het verminderen van de reactietijd is van vitaal belang in een landschap dat voortdurend evolueert,” stelde ook Chester Wisniewski (foto). Hij is Field CTO Director bij Sophos. “Door intensief samen te werken met onze partners en trends en ervaringen te delen, kunnen we een veerkrachtige verdediging tegen cybercriminaliteit opbouwen. En onze digitale wereld veiliger maken voor iedereen.”

Discussies over IT en duurzaamheid gaan vaak over het energie- en watergebruik van datacenters. Dat is niet terecht, blijkt uit een Grotetafelgesprek dat ChannelConnect organiseerde met specialisten uit de sector. “Deze branche loopt voorop in duurzaamheid, maar weet het niet altijd over te dragen.”

Stelling 1: De IT is al ongelofelijk duurzaam

Alexandra Schless, CEO van NorthC ­Datacenters, trapt het Grotetafelgesprek af. “Als je kijkt naar data­centers, of eigenlijk de hele IT-sector, zie ik dat men al heel bewust bezig is met duurzaamheid. De noodzaak is echt wel doorgedrongen.” ­Volgens Schless kijken ondernemingen steeds meer hoe ze hun aandeel kunnen ­nemen in de energietransitie.Andrew van der Haar van Dutch Datacenter Association (DDA) denkt bij duurzaamheid en IT ook aan de mooie initiatieven die IT al mogelijk maakt om de maatschappij te verduurzamen. “Allerlei processen zijn efficiënter en duurzamer geworden. Dat kan groot zijn, bijvoorbeeld in industriële omgevingen, maar ook nauwelijks merkbaar. Google Maps zorgde ervoor dat we minder vaak om ­moeten rijden omdat we de route niet ­kennen. Ook de digitalisering van veel administratie die voorheen papiergebonden was, is een vorm van verduurzaming.”

Ook Michiel Verkroost, Directeur Arup, ziet het zo. “De hele sector is er actief mee bezig. De verduurzaming zou alleen wel verder moeten gaan dan alleen het energievraagstuk. Biodiversiteit gaat ook belangrijker worden, dat zullen we moeten integreren in onze ambities.” Robert Jan de Boer (ENGIE) valt hem bij, als hij stelt dat duurzaamheid een containerbegrip is. “Circulariteit, watergebruik, energie en biodiversiteit vallen er allemaal onder.” Ook hij ziet veel verwevenheid tussen IT en verduurzaming. “En ik zie ook veel IT-applicaties die inzicht geven in het gebruik van energie. En hoe jouw afname van energie gekoppeld is aan een duurzame bron.” Daarnaast valt het hem op hoe duurzaam de sector al is. “Vanuit ENGIE werken we vaak met een aantal datacenters samen, en ik moet zeggen dat ze echt vooroplopen.”

Schless valt hem, als directeur van NorthC, bij. “Als je hardware en faciliteiten zoals ­koeling concentreert in een datacenter heb je specialisten die zich ermee bezighouden. Dat is duurzamer dan wanneer je het op een eigen locatie plaatst, ook omdat data­centers er belang bij hebben dat het energiegebruik laag is. We geven onze colo-klanten ook vaak advies over de meest duurzame inrichting van racks.”

Alexandra Schless, NorthC Datacenters

Andrew van der Haar, DDA

Robert Jan de Boer, ENGIE

Michiel Verkroost, Arup

Stelling 2: De IT-sector slaagt er niet in hun duurzaamheid uit te dragen

Hier zijn alle deelnemers aan het Grotetafelgesprek het mee eens. Schless: “ik denk dat onze industrie er niet zo goed in is om de successen en inspanningen duidelijk over te brengen.” De Boer ­(ENGIE) wijst op het feit dat het bij IT, en vooral data­centers, gaat om een relatief ­jonge sector. “Onbekend maakt onbemind.”

De grootste uitdaging daarbij is het feit dat duurzaamheid te veel een op een gekoppeld wordt aan energieverbruik. “Niet aan het feit dat we veel aan bredere duurzaamheid doen, en vooral niet aan het belang van de sector als geheel.” Schless zegt dat we ­zowel als economie als geheel, als privé ­volledig afhankelijk zijn van de IT-omgeving. Het is een wezenlijk onderdeel van leven en werken. “Terwijl het toch bij beleidsmakers en consumenten een ver van hun bed onderwerp blijft.” We moeten volgens haar naar een veel holistischer beschouwing. “Dankzij IT en datacenters konden we massaal thuiswerken, dat heeft wezenlijk bijgedragen aan de economie.” Het belang van IT wordt onvoldoende onderkend.

De Boer gaat nog kort in op het energievraagstuk. “Het energienetwerk is ‘overvallen’ door de snelle groei van hernieuwbare energieproductie. Daar lopen we nu tegenaan.”

Stelling 3: Overheid, wetgeving en IT matchen niet met elkaar

In tijden van verkiezingen is het een interessante vraag: verdiept de politiek (landelijk, provinciaal, lokaal) zich voldoende in het belang van IT en datacenters? Als brancheorganisatie weet DDA daar alles van. Van der Haar geeft aan dat zijn organisatie als vertegenwoordiging van de branche inderdaad een handleiding schreef waarmee de politieke partijen input kregen voor het opstellen van hun verkiezingsprogramma’s. “Dat heeft niet altijd het effect dat je hoopt. Het water- en energiegebruik wordt vaak nog steeds veel te groot voorgesteld.”

Los van de verkiezingshectiek maakt DDA ook deel uit van de zogenoemde Digitale Binnenhof Academie. ­“Samen met andere brancheorganisaties vormen we een platform dat informatie deelt met politici en ambtenaren.” Zo ­kunnen geïnteresseerden wetenschappelijke publicaties tot zich nemen. “En we organiseren ook kennissessies over bijvoorbeeld duurzaamheid.”

Voor Verkroost (Arup) gaat dat goede initiatief nog niet ver genoeg. “Tot op de dag van vandaag sluit regelgeving niet aan bij wat de branche is en wat die doet.” Sterker nog: die regelgeving sluit helemaal niet aan bij het belang van de digitale infrastructuur. “Dat lukt ook niet als je de markt en de kennisinstituten niet veel actiever betrekt bij het formuleren van eenduidig beleid. Het gaat over het inbrengen van kennis, kennis die politici vaak niet hebben. En dat is geen schande, maar gebruik de kennis waar die in de branche aanwezig is.” Zolang dat niet gebeurt, komen we geen stap verder, is zijn overtuiging. “En er wordt te veel besloten op ad-hoc basis, Dat zorgt niet voor een­duidigheid.”

Stelling 4: Het imago van datacenters op de arbeidsmarkt is goed

Als we constateren dat datacenters het lastig hebben in de publieke opinie, betekent dat dan ook dat de sector minder populair om in te werken? Van der Haar (DDA) meldt dat dit niet het geval is. “Ik merk juist wel een positief sentiment bij jongeren. Die willen weer meer dan een aantal jaar geleden weer in de ICT aan de slag.” En dat geldt ook voor het werk in datacenters. “Het is eerlijk werk en het wordt goed betaald. Men ziet het als een mooie sector met veel mooie ­projecten.”

Schless (NorthC)is het daarmee eens. “Er is sprake van veel innovatie in onze branche.” NorthC bouwde in ­Groningen een datacenter met brandstofcellen op ­basis van groene waterstof als back-up-stroom­voorziening. “Dat vinden jongeren net zo interessant en net zo leuk als wij zelf.”

Dat betekent niet dat de krapte op de ­arbeidsmarkt niet hier ook doorwerkt. Schless: “Daarom gaan we opleidingen aanbieden, verzorgen we gast­colleges en begeleiden we studenten.”

Het grotere probleem daarbij is niet het negatieve imago van datacenters, weten de deelnemers aan de discussie. “De grote tech-bedrijven, zoals Microsoft, Google en Meta bieden natuurlijk voor technische talenten fantastische loopbaanperspectieven. Daar gaan veel jongeren graag naartoe.”

Datacenters zorgen voor 13 duizend fulltime banen in Nederland

Het aantrekkelijke van een datacenter als werkplek kan dan toch weer de afwisseling zijn. Infratechniek en IT ­komen er immers samen. Verkroost (Arup): “De energiecrisis leeft onder jongeren, dat maakt datacenters voor hen interessant.” De Boer herkent dit. “We krijgen steeds vaker gemotiveerde sollicitanten met goede profielen die willen bijdragen aan de energietransitie en die inzien dat de energiesector veel interessante facetten heeft.”

We vragen Schless hoeveel mensen er eigenlijk in een datacenter werken. “Bij onze 12 datacenters in ­Nederland werken 40 engineers om 7/24 support aan te ­kunnen bieden.

DDA publiceerde afgelopen september een onderzoek naar de werkgelegenheid waar datacenters voor ­zorgen. “Dan heb je het bij de directe werkgelegenheid over 13.000 FTE’s. Met de schil direct eromheen gaat het richting de 120.000 mensen,” legt Van der Haar uit. Verkroost (Arup) vult aan: “En daar komen dan de ingenieurs en de aannemers die de datacenters bouwen nog bij. Kortom, het is qua werkgelegenheid een grote industrie in Nederland.”

Stelling 5: Datacenters moeten zich aansluiten bij het Science Based Target initiative (SBTi)

Deze stelling werd ingebracht door ENGIE. Robert Jan de Boer geeft een toelichting. “Het initiatief is gelinkt aan het Klimaatakkoord van Parijs, en berekent eigenlijk de fair share die een bedrijf dient te nemen om de ­stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, en zo mogelijk 1,5 graden Celsius.” Bij die fair share gaat het dan om de concrete bijdrage van een onderneming. “Wij staan als ENGIE op dit moment voor een bepaalde CO2-uitstoot. Dat representeert een zeker percentage van de globale CO2-footprint.” Op basis van Science Based Targets wordt echt per bedrijf een plan opgesteld waarin wordt berekend hoeveel die onderneming gaat reduceren en hoe ze dat gaat doen. “En daarover wordt heel trans­parant gerapporteerd met tussentijdse doelen.”

Zo stelt ENGIE zelf dat ze in 2045 Net Carbon Zero ­willen hebben gerealiseerd, voor alle drie de Scopes. We rapporteren daar elk jaar”

In de praktijk merkt De Boer dat steeds meer klanten zich aansluiten bij het initiatief, en dat is belangrijk, stelt hij. “We hebben elkaar immers hard nodig, want jouw Scope 2 kan onze Scope 3 zijn. Zo krijg je een keten­samenwerking en een ketenverantwoordelijkheid.

De SBTi-doelstellingen zijn uitdagend, ook voor ENGIE. We zullen meer duurzame klantoplossingen moeten ontwikkelen en fors inzetten op de bouw van nieuwe hernieuwbare productiemiddelen zoals offshore wind, groen gas en waterstof. .” Niet alleen zoekt De Boer ­klanten die deelnemen aan het initiatief, hij stelt dat ­datacenters ook die stap moeten zetten.

Van der Haar heeft een vraag over de Scope 3 impact. “Er bestaat daarvoor eigenlijk geen uniforme inter­nationale norm, hoe pak je dat aan?”

Wat gaat de overheid doen qua regelgeving omtrent duurzaamheid van datacenters?

De Boer legt uit dat SBTi werkt met stappen. “Eerst ­enthousiast maken, en vervolgens een begin maken met een nulmeting en carbon accounting. Vervolgens kom je met een gedegen CO2-reductieplan, met oplossingen zoals het gascentrales geschikt maken voor waterstof.” De vertaling van de keten wordt volgens De Boer straks ook afgedwongen door de grootste partijen. “Apple eist het bijvoorbeeld al van de toeleveranciers dat ze zich aan SBTi commiteren.”

“Onze industrie zal hier niet tegen zijn,” is de over­tuiging van Schless. “We kijken allemaal naar de volgende stappen als we nadenken over de investeringen die we doen. Maar wat gaat de overheid doen om ons te helpen? Wat worden de criteria waarop wij besluiten kunnen ­bouwen?”

Bij DDA herkennen ze dat. “Klanten stellen steeds ­vaker certificeringen en andere eisen aan datacenters. Dat is prima, als het internationaal erkende richtlijnen zijn. Maar als wij SBTi voorgeschreven krijgen en in Duitsland doen ze het anders, dan wordt het lastig. Zorg dus als sector en als overheid voor een gelijk speelveld en ­heldere doelen.”

Verkroost valt hem bij. “Daar zijn die grenzen van 2030 en 2050 zo belangrijk voor, dat zijn belangrijke momenten. Nu kijken we ernaar en is het niet meer dan een ­datum, maar eigenlijk is het een reisdoel. We zullen eerst moeten weten wat we eigenlijk onder klimaatneutraal verstaan. Daar hebben we bij Arup modellen voor ontwikkeld.”

Stelling 6: Datacenters moeten kijken hoe ze hun energiegebruik kunnen afstemmen op aanbod aan hernieuwbare energie

Als we kijken naar het Nederlandse elektriciteitssysteem, dan is het zo dat we uit een vraag-­gedreven systeem komen, legt De Boer van ENGIE uit. “Elektriciteitscentrales wekken momenteel nog elektriciteit op met fossiele brandstoffen.” Nu ­maken we steeds vaker gebruik van duurzame energie die weersafhankelijk is. “Doel is daar beter op aan te sluiten. Op momenten dat er een overvloed is aan wind en zon moet je bereiken dat dan de vraag hierop zo goed mogelijk aansluit.”

De sector is, kortom, op zoek naar flexibiliteit, bijvoorbeeld door elektriciteit goedkoper te maken als het aanbod groot is. “Wij hebben daarvoor een tool ontwikkeld die op uurniveau laat zien hoe een onderneming matcht met duurzame bronnen.” Dat kunnen eigen bronnen zijn, zoals zonnepanelen of een batterij, of externe hernieuwbare bronnen.

Bij datacenters is het spreiden van de behoefte aan energie lastig, blijkt uit de reacties tijdens het Grotetafelgesprek. “Wij waren juist altijd een heel aangename klant voor netwerkproviders vanwege onze heel constante vraag. Dat zorgde voor stabiliteit,” geeft Schless aan. “Wij kunnen niet afschalen als de productie laag is, ­zeker niet met klanten in verschillende tijdzones.” Verkroost brengt het vraagstuk terug tot de kern: “Je hebt op bepaalde momenten een overschot, en daar moet je wat mee. Bijvoorbeeld in de vorm van batterijen of de opwekking van waterstof.”

De vraagstukken zijn complex; partijen hebben elkaar nodig

Op dat laatste gaat Schless in. “Wij hebben in ­Groningen nu twee waterstofcellen van ieder 500kW geplaatst en hiermee wordt op jaar­basis 24.000 liter diesel bespaard. Dat is een eerste stap.” Verkroost vraagt zich wel af of dit een issue moet zijn voor de IT-sector. “In feite is de energiesector verantwoordelijk voor de netten en de ­stabiliteit. Zij hebben een leveringsplicht als het gaat om energie.”

De Boer is het daarmee eens, maar hoopt wel op samenwerking. “De vraagstukken zijn complex, partijen hebben elkaar nodig.” Dat de overheid daar een sturende rol in moet hebben is wel duidelijk, want nu maken gemeenten los van elkaar beleid. Schless: “Het traject voor het verkrijgen van een vergunning voor het plaatsen van bijvoorbeeld waterstofcellen bij een nieuw datacenter verschilt per gemeente. En dat heeft een directe impact op bepaalde keuzes ten aanzien van de technische ­infrastructuur.”

Een ander voorbeeld dat ze aangeeft is het feit dat NorthC in Rotterdam, samen met een ­ander ­datacenter, restwarmte gaat leveren aan een nieuwbouwwijk. “Daar krijgen we geen vergoeding voor. Voor het verkrijgen van een vergunning in de toekomst is de verwachting dat het hergebruik van restwarmte een vestigingseis zal worden.”

Daar reageert Verkroost (Arup) fel op: “Het is ­onterecht dat dergelijke eisen op gemeentelijk ­niveau worden bepaald.” Van der Haar rondt dit deel van de discussie af. “Uit ons duurzaamheidsrapport blijkt dat datacenters een miljoen huishoudens van warmte kunnen voorzien. Dat is toch significant.”

Stelling 7: Er zijn genoeg succesverhalen te vertellen

De constatering dat een miljoen huishoudens verwarmd zou kunnen worden in samenwerking met datacenters, leidt tot de vraag of de deelnemers succesverhalen die de sector wist te realiseren kunnen delen met elkaar.

De Boer (ENGIE) ziet juist bij datacenters een enorme vooruitstrevendheid bij verduurzaming en innovatie. “Ze dragen actief bij aan hernieuwbare capaciteit. Het is een van weinige sectoren waar je zo’n bereidheid ziet.” De Boer heeft het dan niet alleen over de bijdrage aan wind­parken op zee, maar ook over kleinere projecten die datacenters efficiënter ­maken. “We zien dat vooral bij het aanpassen van gebouwen,” legt Verkroost (Arup) uit. “De tijd dat oude panden werden gesloopt is echt voorbij, door middel van retrofit worden enorme duurzaamheidsslagen gemaakt.”

Bij DDA zien ze dat datacenters vaak zelfs meer investeren in verduurzaming dan nodig is. “Puur omdat ze verder vooruitkijken en zich ­richten op 2050. Op dit moment kennen we 28 restwarmteprojecten. En die warmte wordt nu gratis gedeeld door de datacenters, terwijl het in de toekomst een verdienmodel voor de sector kan zijn. De branche loopt echt voorop.”

Alleen, en daar zijn alle deelnemers het over eens, de sector slaagt er, samen met hun klanten, onvoldoende in deze succesverhalen te delen en de impact van die verduurzaming uit te dragen.

Tot slot: Advies aan msp’s

In een laatste ronde van het Grotetafelgesprek vragen we de deelnemers om een advies of tip aan de ­lezers van ChannelConnect, de msp’s en mssp’s in Nederland. Van der Haar trapt af namens DDA. “We moeten samen met hen, de gebruikers van datacenters, breder ventileren hoe duurzaam we ­allemaal bezig zijn. En dat een samenwerking met een datacenter ook een positieve impact heeft op de footprint van msp’s en hun klanten. Denk alleen al aan het feit dat de datacenters werken met 99% duurzame stroom.”Schless onderschrijft dit. “Datacenters maken hele ketens meer duurzaam.” ­“Iedereen kan die impact verrekenen in zijn carbon-footprint,” vult Verkroost aan. De Boer meldt dat ENGIE de verduurzaming ook ziet als een reis. “Die maken we met elkaar. Blijf daarom vanuit de keten denken. De IT loopt echt voorop als het om verduurzaming gaat. Laten we zo doorgaan”

In het afgelopen jaar is een recordaantal van meer dan 1,5 miljoen nieuwe glasvezelaansluitingen gerealiseerd. In totaal heeft ons land nu ruim 7 miljoen glasvezelaansluitingen. Dat zegt NLconnect, de branchevereniging voor glasvezel- en breedbandaanbieders in Nederland.

Glasvezel is volgens NLconnect nu voor 90% van de huishoudens beschikbaar. Verschillende aannemers maakten de nieuwe aansluitingen naar woningen en bedrijven(terreinen), vooral in opdracht van Open Dutch Fiber, KPN/Glaspoort en DELTA Fiber. Maar ook in opdracht van kleinere spelers als GlasDraad, SKV, en Glasvezel Helmond werd verder ‘verglaasd’.

Opnieuw een record

Volgens de branchevereniging ging de uitrol van glasvezel niet eerder zo snel als in 2023. Vorig jaar brak de glasvezelsector met ruim een miljoen nieuwe aansluitingen ook al een record. De uitrol van glasvezel piekt dit jaar en zal in 2024 naar verwachting minder hard groeien. Directeur Mathieu Andriessen: “Nu 9 van de 10 woningen zijn aangesloten komt het einde van ‘de grote verglazingsoperatie’ in zicht. Volgend jaar worden de meeste resterende woningen en bedrijfspanden nog aangesloten, maar daarna zal de aanleg zich beperken tot nieuwbouw en dubbele aansluitingen. Je ziet daarnaast dat de partijen kleinere glasvezelnetwerken overnemen.”

NLconnect bracht voor zijn jaaroverzicht het aantal zogenaamde ‘homes passed’ in kaart: de woningen en bedrijfspanden waar glasvezel naar binnen is gebracht óf al voor de deur ligt. Bij een paar miljoen woningen moet de kabel nog in de meterkast worden afgemonteerd. Andriessen: “De uitdaging blijft het daadwerkelijk aansluiten van klanten. Vaak gebeurt dit wanneer de klant een glasvezelabonnement afsluit. Momenteel groeit het aantal glasvezelabonnees gestaag. Door afschakeling van koper, de opkomst van multi-Gigabit abonnementen en overstappende kabelabonnees komen er elk kwartaal een kleine 100.000 glasvezelabonnees bij. We verwachten de komende jaren daarom veel na-aansluitingen.”

Twin transition

Glasvezel vormt een kritische bouwsteen voor twin transition van digitalisering en verduurzaming, zegt NLconnect. Volgens de branchevereniging is snelle, betrouwbare en duurzame connectiviteit essentieel voor de verdere ontwikkeling van de digitale economie en samenleving. “De digitale infrastructuur helpt bovendien om andere sectoren te verduurzamen. Cloudgebaseerde toepassingen en diensten, waaronder AR, VR, AI, video-streaming en andere data-intensieve toepassingen vragen om een betrouwbare stabiele en consistente netwerkverbinding. Glasvezel speelt daarbij net als 5G een cruciale vanwege de hoge capaciteit en hoge betrouwbaarheid, de lage latency en het relatief lage energieverbruik.”

Als Nederland de digitale hub van Europa wil worden, dan moeten we inzetten op een flexibele digitale infrastructuur. Dat betoogt Michiel Verkroost, Director bij het internationale ingenieurs- en adviesbureau Arup.

Het demissionaire kabinet heeft in zijn coalitieakkoord de ambitie uitgesproken om het digitale knooppunt van Europa te worden. Om de juiste keuzes te kunnen maken, moet het IT-kennisniveau van betrokken beleidsmakers omhoog – maar nog meer vraagt het om goede kennis van (digitale) infrastructuur, economie en energie. Het kabinet streeft naar een digitale economie die open, eerlijk en veilig is, waarin bedrijven goed kunnen innoveren, consumenten en burgers goed beschermd zijn en die bijdraagt aan duurzame economische groei.

Datacenters

Michiel Verkroost: “De keuzes die het kabinet nu maakt, moeten vanuit een breed maatschappelijk perspectief gedragen worden. Rekening houdend met thema’s als wonen, werken, leefbaarheid en bereikbaarheid en in lijn met zowel de economische ambities als de uitdagingen die de duurzaamheidstransitie ons stelt. Dat het moeilijk is de juiste keuze te maken, is afgelopen jaar pijnlijk duidelijk geworden in het debat over datacenters – die een heel belangrijke rol spelen op de weg naar een duurzame en digitale toekomst.”

Wie krijgt voorrang bij hernieuwbare energie en hoe kan het stroomnet de vraag verwerken?

Regie

Want waar het eigenlijk over gaat in het hele debat, is hoe we de schaarse grond én middelen in ons land willen verdelen, benadrukt Verkroost. “Hoe gaan we om met landbouw en veeteelt, natuur en biodiversiteit, transport, woningbouw en industrie? Wie heeft voorrang bij de aanspraak op hernieuwbare energie en hoe zorgen we ervoor dat ons stroomnetwerk al die vraag kan verwerken? We zien dat het kabinet probeert de regie te pakken bij deze grote verbouwing van Nederland. Hiertoe heeft het een fundament gelegd met de kamerbrief ‘Nationale regie in de ruimtelijke ordening’ (17-5-2022), een brief die behalve door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ook wordt onderschreven door onder meer het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.”

Om Nederland ‘mooier, gezonder en duurzamer’ te maken, moet het Rijk volgens die visie ‘de regie in het ruimtelijk domein hernemen: om te kiezen, om te verdelen en om een eerlijke uitkomst mogelijk te maken in dit verdeelvraagstuk’.

Aanbevelingen

Arup komt met de volgende aanbevelingen:

  • Betrek het bedrijfsleven en experts bij het debat. Bundel alle aanwezige digitale expertise voor een langetermijnvisie en een nieuwe nota ‘Ruimtelijke ordening voor de digitale economie en infrastructuur van Nederland’.
  • Neem sterker de regie in de herinrichting van Nederland en bepaal hierin ook de essentiële factoren voor een duurzame digitale economie (zoals datacenters).
  • Stel duurzame eisen en voer helder beleid. Bied duidelijke wettelijke kaders voor het verwezenlijken van de ambitie om van Nederland het digitale knooppunt van Europa te maken en stuur in ontwerp, bouw en exploitatie op duurzame en circulaire gebouwen.
  • Experts betrekken

Verkroost: “Die ingewikkelde puzzel kan het Rijk wat ons betreft onmogelijk leggen zonder de inbreng van relevante kennis die het bedrijfs­leven heeft op alle verschillende relevante gebieden. Daarnaast is het van belang om de belangrijke spelers in deze markten mee te laten denken over de transitie waarin zij zelf een hoofdrol gaan vertolken. Die kennis en betrokkenheid zijn essentieel om te komen tot een toekomstbestendig beleid dat richting 2050 kan rekenen op voldoende draagvlak vanuit de bevolking én het bedrijfsleven. Het zorgt er bovendien voor dat we het debat op inhoud kunnen voeren en op basis van gelijkwaardigheid. En daar schortte het aan in het recente Kamerdebat over datacenters. Daarin leek de regelgeving voor nieuwe hyperscales niet uitsluitend op rationele overwegingen gebaseerd te zijn. Voor retail-distributiecentra met dezelfde omvang en/of energievraag gelden de nieuwe regels bijvoorbeeld niet.”

Juiste keuzes

De huidige politieke discussie doet volgens Verkroost vermoeden dat kabinet en parlement nog onvoldoende op de hoogte zijn van de feitelijke kennis, context en ontwikkelingen betreffende digitalisering en duurzaamheid, die van belang zijn voor het maken van de juiste keuzes voor Nederland. “Juist door experts uit de markt te betrekken kunnen we er samen voor zorgen dat de beslissingen van de komende jaren ook daadwerkelijk toekomstbestendig zijn en met meer draagvlak ontwikkeld en uitgevoerd kunnen worden. Laat kabinet en bedrijfsleven samen de handschoen oppakken en aan de slag gaan. Een mooi voorbeeld van hoe succesvol zo’n publiek-private aanpak kan zijn, is de ontwikkeling van het ­Amstelkwartier in Amsterdam. “

Laat je niet meeslepen door sentimenten en durf te kiezen

Strakke regie

Neem als kabinet nog sterker de regie, betoogt Verkroost. “Laat je niet meeslepen door sentimenten en durf te kiezen. Maak op basis van kennis en inzichten (zowel intern als extern) helder beleid en bied stakeholders perspectief en duidelijkheid. Richt Nederland in op een integrale, toekomstbestendige manier zodat we klaar zijn om de Europese koploper te worden op het gebied van digitale economie en klimaatadaptatie. Schrijf bijvoorbeeld een ontwerpcompetitie uit waarbij duurzaamheid, regeneratief ontwerp en innovatie harde eisen zijn voor de ontwikkeling van die gebieden. Denk hierbij onder meer aan verbinding met bestaande en nieuwe zonneparken en eigen micro-grids die losstaan van ons nationale stroomnetwerk. Of reguleer de warmteterugwinning voor het publieke domein. Maar zet in alle gevallen de circulaire economie voorop bij de ontwikkeling van toekomstige gebouwen.”

Duurzame eisen

“Durf ook eisen te stellen aan iedereen die een beroep doet op de openbare ruimte en hernieuwbare energie: eisen voor klimaatadaptieve oplossingen, biodiversiteit, en regeneratieve ontwerpen die gebaseerd zijn op circulaire economie-principes. Dan laat je als overheid zien dat de herinrichting van het ruimtelijk domein geen politieke willekeur is. Zoals Amsterdam dit doet voor bijvoorbeeld het Amstelkwartier waar alleen duurzame ontwerpen en innovatie ruimte krijgen om ontwikkeld te worden. Zo kunnen we er met elkaar voor zorgen dat ­Nederland een aantrekkelijk land blijft. Ook voor de belangrijke koplopers in de economie, die broodnodig zijn voor de transitie naar een mooi, gezond en duurzaam Nederland.”

Bedrijven die samenwerken met het Digital Trust Center nemen meer en vaker beveiligingsmaatregelen dan gemiddeld. Dat blijkt uit cijfers van het CBS dat dit onderzocht op verzoek van het DTC.

Het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) monitort jaarlijks de IT-kenmerken van bedrijven, zoals het internetgebruik, clouddiensten en veiligheidsmaatregelen. Op verzoek van het DTC monitort het CBS ook de bij DTC-samenwerkingsverbanden aangesloten bedrijven. De cyberweerbaarheid van deze groep ‘DTC-bedrijven’ wordt vergeleken met een referentiegroep met dezelfde kenmerken.

De DTC-groep scoort op alle IT-veiligheidsmaatregelen beter scoort dan zowel de gehele populatie als de referentiegroep. Zo maakt 94% van deze bedrijven gebruik van antivirussoftware, heeft 86% een beleid voor sterke wachtwoorden geïmplementeerd en maakt 77% gebruik van een VPN wanneer er verbinding wordt gemaakt met het internet van buiten het bedrijf.

Geen causaal verband

Uit de data blijkt verder dat DTC-bedrijven vaker gebruik maken van zowel vrijwillige als verplichte trainingen van hun personeel op het gebied van ICT-veiligheid. Ook is te zien dat DTC-bedrijven vaker een ICT-incident met een interne oorzaak hebben ervaren dan de referentiegroep.

Het DTC benadruk dat het niet mogelijk is om een causaal verband tussen het nemen van veiligheidsmaatregelen en het zijn van een DTC-bedrijf is aan te tonen op basis van deze data. “Het kan zijn dat bedrijven die bewust meer cybermaatregelen doorvoeren ook meer geneigd zijn om zich bij een samenwerkingsverband aan te sluiten.”

Voor de tiende keer organiseerde Huawei in Nederland het talentprogramma Seeds for the Future, dat wereldwijd al langer bestaat. 35 Studenten rondden het programma succesvol af en kregen deze week hun certificaat uitgereikt. Deelnemers die zich op een bijzondere manier wisten te onderscheiden ontvingen daarnaast nog een scholarship.

Behoefte aan talent

Victor Qian, CEO Benelux van Huawei, benadrukte het belang van een programma dat de interesse in (digitale) technologie bij studenten vergroot. “Onze sector is volledig afhankelijk van menselijk talent. Om de transformatie die digitalisering heeft ingeluid, voort te zetten, hebben we wereldwijd behoefte aan geschoolde medewerkers.”

Dat is de reden waarom Huawei het programma startte. “Het doel van dit programma is om jonge mensen geïnteresseerd, gepassioneerd en vertrouwd te maken met de loopbaanpaden in een technologiebedrijf”

Tech-auteur Christian Kromme sprak in dat kader over de impact die nieuwe technologieën zoals kunstmatige intelligentie zullen hebben op onze samenleving, onze organisaties en onze zakelijke partnerships.

“De wereld waarin we leven was lange tijd niet veel groter dan het oog kon zien, niet groter dan waar onze voeten ons konden brengen. Veranderingen gebeurden zeer langzaam, soms op lokaal niveau. Die veranderingen namen soms zelfs generaties in beslag. Iedereen kon zich aanpassen.”

De huidige situatie is volstrekt anders, maakte Kromme duidelijk. “We leven in een wereld die onstabiel en onvoorspelbaar is geworden. Een wereld die sterk verbonden is met slimme technologie. We zien allerlei exponentiële technologieën convergeren en elkaar versterken, waardoor ze nog onvoorspelbaarder worden.”

Surfer op een vloedgolf

De ontwikkelingen voor de komende drie tot vier jaar vergeleek Kromme met een enorme vloedgolf. “Het is een tsunami van digitalisering en automatisering. Er komt een enorme verstoring op ons af in een heel hoog tempo.” Voor veel individuen, voor veel organisaties is het een vrij angstaanjagend vooruitzicht.

“Mensen beginnen hun baan in twijfel te trekken. Is mijn baan over 5 jaar nog relevant? Zijn onze investering nog relevant?” Het veroorzaakt veel stress op alle niveaus van organisaties, maar Kromme stelde dat het allemaal een kwestie van perspectief is. “Je kunt diezelfde enorme golf ook vanuit het perspectief van een waarnemer zien. Als je dat doet, kun je zien dat deze golven een enorme kans bieden.”

Tenminste: als je begrijpt hoe de golf beweegt. “Dan kun je net als een surfer zorgen dat je op het juiste moment en op de juiste manier profiteert van de kracht van de golf.” Dat is precies wat grote technologiebedrijven vandaag de dag doen, meent Kromme. “Ze zijn niet bang voor technologie, ze omarmen het en gebruiken het in hun voordeel.”

Interfaces

Belangrijk is innovaties los te zien van technologie, gaf Kromme aan. “Het gaat om menselijke behoeften en gewoonten.” Als voorbeeld gaf hij iPads of andere tablets. “Een tweejarig kind kan het direct uit de doos gebruiken, je hoeft de handleiding niet meer te lezen. Het is zeer intuïtief. Oudere mensen kunnen het gebruiken, gehandicapte mensen kunnen het gebruiken. Ze kunnen een reis boeken, geld overmaken, allerlei dingen doen die voorheen niet zo laagdrempelig beschikbaar waren voor hen.”

De kern het betoog is daarom de overtuiging dat verstoring en digitalisering alles te maken hebben met het identificeren van nieuwe gebruikersinterfaces. “Dit, omdat technologie alles te maken heeft met het beheren van complexiteit. Het zal ons helpen om complexe dingen te beheren.” Kromme citeerde een uitspraak van Steve Jobs bij de introductie van de iPhone. “Hij zei dat technologie alles te maken heeft met het mogelijk maken van gewone mensen om buitengewone dingen te doen.”

Google is gestart met de bouw van een nieuw datacenter in Winschoten in de gemeente Oldambt. De Amerikaanse techgigant investeert 600 miljoen euro in het project.

Het nieuwe datacenter in Winschoten kan de restwarmte van het koelproces opvangen en overdragen aan geschikte toekomstige afnemers.

Google heeft naar eigen zeggen sinds 2014 3,8 miljard euro geïnvesteerd in datacenters en aanverwante digitale infrastructuur in Nederland. Deze investeringen zorgen voor een economische impact van 1,7 miljard euro per jaar, gemeten naar bbp. Hiervan draagt volgens Google ongeveer 840 miljoen euro per jaar direct bij aan de Nederlandse economie.

De locaties in Eemshaven en Middenmeer zijn momenteel goed voor ongeveer 670 directe banen. De nieuwe locatie in Oldambt zorgt voor enkele tientallen extra banen.

Voor veel mkb-ondernemers in Nederland blijft ICT een grote uitdaging. Technologie raakt steeds meer verweven met ieder bedrijfsproces, maar ondernemers willen zich het liefst zonder zorgen kunnen richten op hun core business. Running IT wil dé sparringpartner voor mkb-organisaties worden en met fusies en overnames de komende jaren uitgroeien tot een begrip op de Nederlandse markt.

Running IT rondde onlangs de fusie met het Amsterdamse consult-it af. Beide bedrijven werkten al bijna een decennium samen aan projecten en groeiden in die jaren steeds dichter naar elkaar toe. De ambitie, het DNA en de cultuur van beide bedrijven lagen dicht bij elkaar, dus leek het logisch om met elkaar te praten over samengaan. Rob Zwezereijn is CEO van Running IT en vormt samen met Raymond Lem als Chief Operations Officer (COO) de directie van het bedrijf.

Hoe ging dat in zijn werk, die overname?

Zwezereijn: “Als Running IT hebben we een groeiambitie en we denken dat we die het beste kunnen realiseren door overnames. Daarbij kunnen we zowel onze talent-pool als onze klantenbase op een natuurlijke manier uitbreiden. We werkten al jaren nauw samen met Maarten Smook, de oprichter en eigenaar van consult-it. Raymond en ik hadden het er al vaker over gehad hoe goed het DNA van beide organisaties bij elkaar leek te passen, dus op het moment dat er aan de kant van consult-it een aantal zaken verschoof in de organisatie, zijn we met Maarten gaan praten over samen verdergaan.”

Het was de eerste overname die Zwezereijn en Lem samen deden. Dat bracht een aantal uitdagingen met zich mee en zorgde ervoor dat ze snel een aantal waardevolle lessen leerden. Lem: “Rob en ik hadden al wel vaker gepraat over mogelijke overnames, maar toen het daadwerkelijk zo ver was, wilden we ook heel gedegen te werk gaan. Je hebt het toch over een flinke verandering voor iedereen, zowel medewerkers als klanten.” De hulp van een externe adviseur werd ingeschakeld, er werd uitgebreid vooronderzoek gedaan en een programma opgesteld voor de overname.

Wat is de belangrijkste les die je uit dit proces hebt getrokken?

Lem: “Dat cultuur toch wel een enorm belangrijke smaakmaker is in zo’n proces. Hoewel de externe adviseur, die vaak grote overnames begeleidt, aangaf dat we ons met deze aantallen niet druk hoefden te maken over cultuur, bleek dat toch een heel essentieel punt te zijn.” Dat komt vooral door de wijze waarop beide organisaties werken, stelt de COO. “Consult-it was heel sterk in het oplossen van voorkomende issues en storingen. Wanneer een klant belde, werd er direct actie genomen en de kwestie opgelost. Dat is natuurlijk cruciaal, maar waar wij ons als Running IT in onderscheiden is dat we graag ook proactief met onze klanten werken. Wanneer er een issue is, lossen we dat uiteraard zo snel mogelijk op, maar vervolgens ligt de nadruk veel meer op hoe deze ruis in de toekomst voorkomen kan worden.” Door het samengaan is het beste van beide werelden van toepassing voor de klant.

Bij veel mkb-organisaties is IT iets dat een medewerker ‘erbij doet’. Terwijl IT inmiddels met vrijwel alle bedrijfsprocessen verweven is, waardoor het belang ook flink gestegen is. “We zien dat de IT-basishygiëne bij veel mkb-ondernemingen niet op orde is. Ons doel is om als een proactieve sparringpartner bij die ondernemers aan tafel te zitten en ervoor te zorgen dat IT als enabler kan worden ingezet voor de organisatie. Een structureel solide IT-omgeving vormt een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering. Wanneer dat op orde is, biedt dat rust en de mogelijkheid voor de onderneming om zich te richten op datgene waarmee het bedrijf zijn geld verdiend”, zegt Zwezereijn.

Waar ben je trots op in de overname?

Lem: “De energie, saamhorigheid en de zin in de toekomst die iedereen tijdens het hele overnameproces heeft laten zien.” Zwezereijn vult aan: “Ik ben trots op de manier waarop we zowel onze medewerkers en klanten als die van consult-it hebben meegenomen in het proces. Natuurlijk zitten er altijd krasjes op zo’n proces, maar we hebben iedereen een plek kunnen geven binnen onze organisatie en ook de klanten van consult-it hebben we in persoonlijke gesprekken meegenomen in onze visie. Met als resultaat dat we nu, drie maanden na het afronden van de overname, geen enkele klant zijn kwijtgeraakt.”

De voormalig directeur van consult-it, Maarten Smook, nam binnen Running IT de functie van Customer Success Manager op zich en blijft daardoor in nauw contact met zijn klanten. “Dit is een functie die hem als een jas past”, zegt Zwezereijn. “Bovendien is het goed om binnen het bedrijf iemand te hebben die de stem van de klanten vertegenwoordigt. We noemen hem intern ook wel eens gekscherend ‘de advocaat van de klant’, maar het geeft wel aan hoe belangrijk dat is om de juiste focus te bewaren in een organisatie met een groeiambitie.”

Kun je iets meer vertellen over de visie van Running IT en hoe die zich onderscheidt van andere IT-leveranciers in de markt?

Zwezereijn: “Ons doel is om mkb- en mkb-plus-bedrijven te helpen groeien door bedrijfsprocessen te ondersteunen met een solide IT-infrastructuur. Het biedt ondernemers rust, structuur en de mogelijkheid zich te focussen op hun kernbusiness.” Lem: “We mikken echt op een proactieve partnerrol, waarin we IT zien als middel voor ondernemers om hun bedrijfsdoelen te realiseren. Onze core business is IT en daar zijn we goed in. Maar al die andere ondernemers die een andere core business hebben, moeten zich niet druk hoeven maken over technologie en techniek. Dat moet het gewoon doen. Daar zijn wij voor.”

Lem geeft het voorbeeld van een huisartsenpraktijk die onlangs een internetstoring had, waarbij de praktijk ook telefonisch onbereikbaar was. “Dan lossen we uiteraard allereerst die storing op, maar vervolgens gaan we kijken wat we kunnen doen om zo’n externe storing – die lag namelijk bij de provider – minder impact te laten hebben op de praktijk. Bijvoorbeeld door te zorgen voor een redundante verbinding, zodat de productiviteit van zo’n organisatie gewaarborgd blijft in het geval van een incident. Naast het oplossen van issues zullen we altijd meedenken hoe dingen anders en beter kunnen bij onze klanten.” Deze manier van samenwerken zorgt ervoor dat klanten wendbaarder worden, beter kunnen anticiperen op de toekomst en zo klaar zijn voor groei. “Door je IT in de handen van een gespecialiseerde partner te leggen, kun je als ondernemer tijd besparen, sneller inspelen op veranderingen en in sommige gevallen letterlijk meer geld verdienen”, somt Zwezereijn op. “Waarom zou je zelf het wiel uitvinden wanneer er organisaties zijn die dag en nacht niets anders doen dan het optimaliseren van IT-omgevingen?”

Triagedienst

Ook de inrichting van de dienstverlening van Running IT wijkt op punten af van de traditionele serviceorganisaties bij IT-leveranciers. Lem trekt een vergelijking met een ziekenhuis: “Daar werken ze met een triagedienst waardoor je snel en efficiënt naar de juiste specialist wordt doorverwezen. Die manier van werken hebben wij ook geadopteerd om te bepalen bij wie een klant moet zijn om zo snel en goed mogelijk geholpen te worden.” Zo worden telefoontjes en e-mails op het service center beoordeeld door technische specialisten die meldingen doorzetten naar bijvoorbeeld change management, de supportafdeling of naar de afdeling technical alignment. “Daarnaast is er een groep engineers dagelijks bezig met ruisvermindering, oftewel optimalisering van de klantomgeving. Zij concentreren zich op de vraag hoe we een stabielere, effectievere en betere omgeving bij de klant kunnen bereiken. Ik denk dat we ons op dat vlak ook wel onderscheiden van sommige concurrenten”, zegt Zwezereijn.

De afgelopen vier jaar is Running IT in omzet vier keer zo groot geworden. Toch stopt de groeiambitie van het bedrijf daar bij lange na niet.

Waar zie je Running IT over pakweg een jaar of vijf?

Zwezereijn: “Ik hoop dat we over een jaar of vijf zijn gegroeid van de 18 mensen die hier nu werken naar zo’n 40 tot 50 mensen. We zijn een landelijke speler met regionale focus op de groei van het mkb, dus wellicht hebben we dan ook wel meerdere kantoren, naast onze huidige vestigingen in Amsterdam en Utrecht, om zo dichter bij onze klanten te zitten. We zien veel kansen in de huisartsenzorg om een digitaliseringsslag te maken waar we graag een rol in spelen. Ik denk bovendien dat we door onze positie als trusted partner bij klanten nog meer kunnen gaan betekenen op het gebied van IT en security. En ik wil dat we als organisatie en mensen blijven leren, ontwikkelen en groeien.”

Over RunningIT

Running IT is een proactieve sparringpartner voor Nederlandse mkb-­organisaties. Niet alleen lost het bedrijf voorkomende ICT-problemen op, maar helpt ze vooral te voorkomen. Door te zorgen voor een ­structureel solide ICT-basis, helpt Running IT ondernemingen groeien. Meer weten? www.runningIT.nl

Extreme Networks lanceert een nieuw partnerprogramma. Met Ignite wil het bedrijf gerichter ondersteunen, onder meer door vereenvoudigde kortingen en meer trainingen. Ignite wordt wereldwijd gefaseerd ingevoerd voor alle Extreme-partners.

Het bedrijf introduceert hiervoor onder meer een vernieuwd Partner Demand Center, de centrale hub waar partners terecht kunnen. Daar publiceert Extreme zijn campagnes – nu in 130 talen – en Did You Know video’s, die door partners co-branded kunnen worden en voorzien van eigen logo. Het programma Business Development Representative (BDR) is uitgebreid. Dit programma is bedoeld om meer leads te genereren.Het is inmiddels beschikbaar voor geselecteerde partners en zal gefaseerd verder worden uitgebreid. Extreme komt ook met certificering en een tool waarmee technici kunnen evalueren of ze klaar zijn voor het bijbehorende examen.

Ignite Rewards

Het nieuwe partnerprogramma biedt ook het Ignite Rewards Program, een individuele aanpak waarmee medewerkers van partnerorganisaties zich kunnen identificeren en beloningen verdienen op basis van relevante voltooide activiteiten in het programma. Ze kunnen ook deelnemen aan forums waar ze vragen kunnen stellen aan de community en hun kennis kunnen delen.

Er is ook een verbeterde selfservice in accountbeheer, plus  een nieuw dashboard voor activering in cloud zodat partners de abonnementen en het gebruik van klanten nauwkeuriger kunnen volgen.

In onze rubriek ‘Het meest opvallende nieuws….’ volgt een prominent in de markt een week lang intensief de berichtgeving op ChannelConnect.nl. Hij of zij selecteert een bericht dat opviel en geeft er een reactie op. Vandaag Alain Luxembourg, Vice President Benelux & Nordics bij Barracuda.

Luxembourg las het nieuws dat DTC een forum lanceert voor het delen van kennis over cybersecurity. Ondernemers kunnen hier straks terecht met hun cybersecurity-vragen. Het idee is dat deze vragen dan beantwoord worden door IT- en securityprofessionals die zich ook bij deze DTC Community aansluiten.

Overvloed aan informatie

Luxembourg: “Dit is een uitstekend initiatief. Er is natuurlijk al heel veel informatie te vinden over cybersecurity en het gezegde is nog steeds ‘Kennis is macht’. Maar we moeten niet vergeten dat we nu in een wereld leven waarin er een enorme overvloed aan kennis en informatie te vinden is, op internet, op social media, in podcasts, in e-mail nieuwsbrieven, etc. Ondernemers zien door de bomen het bos niet meer. Hoe weet je wat goed advies is en wat onzin is of zelfs gevaarlijk? Ik denk dat het veel beter is om te zorgen dat je met de juiste communities en mensen in contact komt.

In een vertrouwde omgeving zoals het DTC wil bieden, voelen de leden zich ook veiliger en durven ze vragen te stellen en om hulp te vragen. Ze weten dat ze dan geholpen worden door mensen die er ook echt iets van af weten. Denk bijvoorbeeld aan de invoering van NIS2. Veel ondernemers weten nog niet hoe ze dat moeten aanpakken. Dit platform kan ze daarbij helpen en dat zoiets ook echt werkt blijkt bijvoorbeeld uit het succes van de expertise die via het No More Ransom initiatief wordt gedeeld en de oplossingen die daar worden aangedragen.”

Genadeklap

“Het is ook echt nodig om de kennisdeling over security te verbeteren. We zien dat criminelen Nederlandse ondernemingen continu aanvallen en dat kan grote gevolgen hebben. Zeker nu we in Nederland te maken hebben met een lichte recessie, kan een cyberaanval net het laatste duwtje richting faillissement zijn voor een onderneming die het al zwaar heeft. Zo is het niet ondenkbaar dat de cyberaanval op sportketen Sprinter, eind november, een rol heeft gespeeld in het faillissement van Sports Unlimited Retail, ook het moederbedrijf achter Perry en Aktiesport. Er zijn andere gevallen bekend waar een succesvolle cyberaanval uiteindelijk de genadeklap was voor een onderneming.”

“Men moet wel goed gecontroleren of de securityexperts die zich aanmelden voor het DTC-platform legitiem zijn. Zo’n platform is immers ook een ideale plek voor cybercriminelen om informatie te verzamelen over mogelijke kwetsbaarheden bij organisaties. Of om misinformatie te verspreiden. Dat dit risico reëel is, blijkt wel uit het recente nieuws dat Noord-Koreaanse IT’ers onder valse identiteit bij buitenlandse bedrijven werken. Zoiets moeten we natuurlijk absoluut voorkomen.”

“In ieder geval is het DTC-initiatief weer een prima stap vooruit om de cybersecurity van Nederlandse bedrijven naar een hoger niveau te tillen. En dat moet ook. Want de aanvallers zijn hun aanvalsmethoden continu aan het verbeteren.”